Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200706261/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) het verzoek van [appellante] om het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen ten aanzien van de inrichting van de vereniging ALTV Quick (hierna: Quick) aan de Pijnboomlaan 30 te Apeldoorn afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 54

Uitspraak

200706261/1.

Datum uitspraak: 2 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) het verzoek van [appellante] om het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen ten aanzien van de inrichting van de vereniging ALTV Quick (hierna: Quick) aan de Pijnboomlaan 30 te Apeldoorn afgewezen.

Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 februari 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door drs. A.P.Z. van der Houwen, en het college, vertegenwoordigd door R.A. Feber, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord Quick, vertegenwoordigd door H.B.P. van Schaik.

2. Overwegingen

2.1. In haar verzoek om handhaving betoogt [appellante] dat Quick in strijd handelt met voorschrift 1.5.1 van de bijlage behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold, door niet te voorkomen dat directe lichtinstraling, veroorzaakt door tot de inrichting behorende lampen, in de glazen achtergevel van haar huis optreedt.

2.2. Ingevolge voorschrift 1.5.1 van de bijlage behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (oud), voor zover hier van belang, wordt de lichtinstallatie zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woningen wordt voorkomen.

2.3. Op 1 januari 2008 is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) in werking getreden. Ingevolge artikel 6.43 van dat Besluit is het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer met die inwerkingtreding ingetrokken.

Omdat noch in artikel 4.113, noch in enig ander artikel van het Besluit het hiervoor weergegeven gedeelte van voorschrift 1.5.1 terugkeert en niet is gebleken dat krachtens artikel 2.1, derde lid, van het Besluit soortgelijke maatwerkvoorschriften zijn gesteld, kan het door [appellante] gestelde nalaten van Quick om te voorkomen dat directe lichtinstraling optreedt als zodanig niet meer als overtreding worden aangemerkt. Een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit zou derhalve niet meer kunnen leiden tot het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen wegens die gestelde overtreding.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 5 juni 2002 in zaak nr. 200106139/1; AB 2002, 349), kan procesbelang bestaan indien appellant stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat [appellante] tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat zij dergelijke schade daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van het besluit van 10 juli 2007. Dergelijke schade is door haar niet gesteld. Ook anderszins is niet gebleken dat [appellante] niettemin belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

2.4. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008

271-209.