Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200706518/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 4 en 5 juli 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de aan [appellante] toegekende huursubsidie voor de tijdvakken 1 juli 2003 - 1 juli 2004 en 1 juli 2004 - 1 juli 2005 herzien en op nihil vastgesteld, de reeds betaalde subsidie over deze tijdvakken teruggevorderd en haar een boete opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706518/1.

Datum uitspraak: 2 april 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/381 van de rechtbank Roermond van 1 augustus 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 4 en 5 juli 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de aan [appellante] toegekende huursubsidie voor de tijdvakken 1 juli 2003 - 1 juli 2004 en 1 juli 2004 - 1 juli 2005 herzien en op nihil vastgesteld, de reeds betaalde subsidie over deze tijdvakken teruggevorderd en haar een boete opgelegd.

Bij besluit van 7 februari 2007 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2007, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343) is onder meer artikel 36 van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) komen te vervallen. De Aanpassingswet is op 1 september 2005 in werking getreden en geldt voor subsidietijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu de subsidietijdvakken waarop voormelde besluiten zien vóór 1 januari 2006 zijn aangevangen, zijn de oude bepalingen van de Huursubsidiewet van toepassing.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Hsw, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang en voor zover thans van belang, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten verstaan onder huurder: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten verstaan onder medebewoner: persoon die zijn hoofdverblijf heeft op hetzelfde adres als de huurder, en die geen onderhuurder is noch tot het huishouden van de onderhuurder behoort.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, wordt huursubsidie slechts toegekend als de huurder, alsmede degenen die op de peildatum medebewoner of onderhuurder van de woning zijn, zich uiterlijk vijf dagen na de peildatum op het adres van die woning hebben doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Hsw, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, zijn de huurder en de medebewoners verplicht uit eigen beweging aan de minister onmiddellijk alle inlichtingen te verstrekken waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken, en die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de huursubsidie.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, kan de minister de toekenning herzien, als huursubsidie is toegekend in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, kan aan een besluit als bedoeld in het eerste lid terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf subsidietijdvakken, voorafgaande aan het lopende subsidietijdvak als de huurder redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge het derde lid, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, kan als het eerste lid toepassing vindt de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd, of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder. De minister stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

Ingevolge het vierde lid, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kan de minister, als de herziening haar grond vindt in het feit dat artikel 33 niet is nageleefd, het terug te vorderen bedrag verhogen met 25 procent, met dien verstande dat deze verhoging niet meer mag bedragen dan € 225 per subsidietijdvak waarover ten onrechte huursubsidie werd genoten.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister haar terecht schending van artikel 33 van de Hsw heeft verweten en dat de minister bevoegd was tot herziening van de huursubsidie over de tijdvakken 1 juli 2003 - 1 juli 2004 en 1 juli 2004 - 1 juli 2005. Zij ontkent dat zij - in de periode van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004 - zou hebben samengewoond met [naam 1] en dat zij vanaf 1 juli 2004 niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het subsidieadres [locatie] te [plaats]. Voorts voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat geen rechtsgrond bestaat voor het opleggen van een boete.

2.2.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft de minister aan zijn besluiten een rapport van de Inlichtingen en Opsporingsdienst ten grondslag gelegd dat is gebaseerd op een proces-verbaal van de sociale recherche. De rechtbank heeft terecht voldoende aannemelijk geacht dat [naam 1] in de periode van 1 juli 2003 tot 1 januari 2004 zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van [appellante]. Voor dit oordeel kan in het bijzonder steun worden gevonden in de door [naam 1], en de door de getuigen, afgelegde verklaringen, bezien in samenhang met de overige bevindingen van het onderzoek, waaronder het hoge waterverbruik op het subsidieadres. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister in de resultaten van het onderzoek voldoende grond heeft kunnen vinden voor de conclusie dat [naam 1] in voormelde periode medebewoner van [appellante] was op het subsidieadres.

Voorts is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het onderzoek evenzeer voldoende grond heeft opgeleverd voor het standpunt van de minister dat [appellante] in de periode vanaf 1 juli 2004 niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het subsidieadres. Voor dit oordeel heeft de rechtbank terecht steun gevonden in de door [naam 2] afgelegde verklaring inhoudende dat [appellante] vanaf april/mei 2004 regelmatig bij hem verbleef en vanaf de zomer van 2004 feitelijk haar hoofdverblijf had op zijn adres, en de door [appellante] afgelegde verklaring dat zij vanaf mei/juni 2004 geregeld bij [naam 2] verbleef. Ook het waterverbruik op het subsidieadres ondersteunt het standpunt van de minister. Nu [appellante] geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit het tegendeel blijkt en zij voorts niets heeft aangevoerd dat tot een ander oordeel zou moeten leiden, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de toekenningen te herzien en tot terugvordering van de huursubsidie over de tijdvakken 1 juli 2003 - 1 juli 2004 en 1 juli 2004 - 1 juli 2005 over te gaan.

Omdat de herziening haar grond vindt in het niet nakomen van de verplichting neergelegd in artikel 33 van de Hsw, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister bevoegd was het terug te vorderen bedrag te verhogen met 25 procent, met inachtneming van het bepaalde in artikel 36, vierde lid, van de Hsw volgens welke bepaling deze verhoging niet meer mag bedragen dan € 225,00 per subsidietijdvak waarover ten onrechte huursubsidie is genoten. In hetgeen [appellante] betoogt, is geen grond te vinden voor het oordeel dat de krachtens voormelde bepaling door de minister opgelegde boete de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

176-440.