Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200705986/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) het door [appellante] tegen de afwijzing van een verzoek om schadevergoeding gemaakte bezwaar voor zover het betrekking heeft op omrijschade bij bedrijfsactiviteiten gegrond verklaard, het besluit van 29 maart 2002 in zoverre herroepen en een bedrag van € 28.966,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2002, aan schadevergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705986/1.

Datum uitspraak: 2 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], respectievelijk gevestigd en wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4468 van de rechtbank Arnhem van 23 juli 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) het door [appellante] tegen de afwijzing van een verzoek om schadevergoeding gemaakte bezwaar voor zover het betrekking heeft op omrijschade bij bedrijfsactiviteiten gegrond verklaard, het besluit van 29 maart 2002 in zoverre herroepen en een bedrag van € 28.966,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2002, aan schadevergoeding toegekend.

Bij uitspraak van 23 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vennootschap ingestelde beroep ongegrond verklaard en [vennoot A] en [vennoot B] niet-ontvankelijk in hun beroep tegen dat besluit verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vennootschap bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2008, waar de vennootschap, vertegenwoordigd door mr. K.F. Leenhouts, advocaat te Tiel, vergezeld door [vennoot A] en [vennoot B], en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Omdat [vennoot A] en [vennoot B] in hun hoedanigheid van vennoot van de vennootschap beroep tegen het besluit van 20 juli 2006 hebben ingesteld, betogen zij terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen belang bij dat besluit hebben en

niet-ontvankelijk in hun beroep zijn. Het hoger beroep is in zoverre gegrond.

2.2. Volgens artikel 2 van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute (Stcrt. 1996, nr. 189), voor zover hier van belang, kent de Minister op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute, alsmede hieruit voortvloeiende besluiten van bestuursorganen en rechtmatige uitvoeringshandelingen, een vergoeding naar billijkheid toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.3. Aan het verzoek om schadevergoeding is ten grondslag gelegd, voor zover thans van belang, dat de vennootschap, waarvan de bedrijfsactiviteiten uit handel in zand, grind en bouwmaterialen en uit transporten voor derden bestaan, ten gevolge van uitvoeringswerken die samenhangen met de aanleg van de Betuweroute omrijschade heeft geleden. De door de vennootschap gestelde omrijschade houdt verband met een tijdelijke afsluiting van de tunnel die ter plaatse de weg het Laageinde onder de A15 leidt en de vervanging van deze tunnel door een verkeersviaduct over de A15 en de Betuweroute.

2.4. In het besluit van 20 juli 2006 heeft de minister het standpunt ingenomen dat het normaal maatschappelijk risico, in dit geval ondernemersrisico, met zich brengt dat bij het bepalen van de hoogte van de schade een ondergrens wordt gehanteerd en dat slechts de schade die die grens overstijgt voor vergoeding in aanmerking komt. De minister heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat een ondergrens van 15% van de gemiddelde transportkosten op jaarbasis redelijk is. Uitgaande van het gemiddelde aantal gereden kilometers in de referentiejaren 1999 en 2000, gedeeld door de gemiddelde rijsnelheid van de vrachtwagen en vermenigvuldigd met het vaste uurtarief, heeft de minister de gemiddelde transportkosten per jaar op € 187.447,00 berekend en de ondergrens in dit geval op € 28.117,00 per jaar vastgesteld. Vervolgens heeft de minister berekend dat de vennootschap, gezien het aantal extra gereden kilometers in de periode van de werkzaamheden, gedeeld door de gemiddelde rijsnelheid van de vrachtwagen en vermenigvuldigd met het vaste uurtarief, in de jaren 2001 en 2002 respectievelijk € 34.080,00 en € 51.120,00 aan omrijschade heeft geleden. Voor zover de omrijschade boven de vastgestelde ondergrens uitstijgt, heeft hij voor deze jaren respectievelijk € 5.963,00 en € 23.003,00 aan schadevergoeding toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2002, zijnde het midden van de periode van de werkzaamheden.

2.5. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank kort gezegd overwogen dat de minister, door de ondergrens van het normaal maatschappelijk risico op 15% te stellen en dit voorts te relateren aan het bedrag van de gemiddelde transportkosten per jaar, geen onredelijke invulling heeft gegeven aan hetgeen tot het normale ondernemersrisico behoort.

Gelet op de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2006 (zaak nr. 200508280/1, BR 2006, p. 847), bestaat, anders dan de vennootschap betoogt, geen grond voor het oordeel dat de rechtbank dat ten onrechte heeft overwogen.

2.6. In beroep heeft de vennootschap niet betwist dat de minister het bedrag van de gemiddelde transportkosten per jaar op basis van de transportkosten in de jaren 1999 en 2000 heeft mogen vaststellen. Voor zover de vennootschap dat in hoger beroep alsnog doet, is dat in strijd met de goede procesorde, zodat dat onderdeel van het betoog buiten beschouwing wordt gelaten.

2.7. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het in strijd met de goede procesorde moet worden geacht dat de vennootschap eerst ter zitting in beroep de door haar zelf aangeleverde en door de minister overgenomen gemiddelde rijsnelheid van de vrachtwagen in de periode van de werkzaamheden van 22 km/u alsnog heeft bestreden. De rechtbank is dan ook terecht uitgegaan van de juistheid van het door de minister aangenomen gemiddelde. Hetgeen de vennootschap thans in hoger beroep wederom betoogt inzake de gemiddelde rijsnelheid kan daarom buiten bespreking blijven.

2.8. Ook het betoog van de vennootschap dat de vrachtwagen in de referentiejaren een gemiddelde rijsnelheid van 30 km/u heeft gehaald kan haar niet baten, reeds omdat het niet is onderbouwd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de minister, onder verwijzing naar gegevens van de schadecommissie, niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de vrachtwagen in de referentiejaren een gemiddelde rijsnelheid van 22 km/u heeft gehaald.

2.9. Gelet op hetgeen in 2.1 is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover [vennoot A] en [vennoot B] daarbij niet-ontvankelijk in hun beroep zijn verklaard en voor het overige te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.11. Een redelijke uitleg van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan de vennootschap wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 juli 2007 in zaak nr. 06/4468, voor zover [vennoot A] en [vennoot B] daarbij niet-ontvankelijk in hun beroep zijn verklaard;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008

452.