Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200705247/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) aan appellanten (hierna: Reggestad c.s.) bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfshal op het perceel De Driehoek 5 te Aalten (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/158

Uitspraak

200705247/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de onderscheiden besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "Reggestad Planontwikkeling B.V.", "De Brug Projecten B.V." en "AVG Projecten B.V.", alle gevestigd te Ommen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 12 juli 2007 in zaak nrs. 07/937 en 07/938 in het geding tussen:

"Big Boss Bouwmarkt Aalten B.V.",

en

Het college van burgemeester en wethouders van Aalten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) aan appellanten (hierna: Reggestad c.s.) bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfshal op het perceel De Driehoek 5 te Aalten (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 mei 2007 heeft het college het door "Big Boss Bouwmarkt Aalten B.V." (hierna: Big Boss) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2007, verzonden op 16 juli 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het door Big Boss daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en het besluit van 6 februari 2007 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van het nieuw te nemen besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Reggestad c.s. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2008, waar Reggestad c.s., vertegenwoordigd door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door B.A. Mennink, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar Big Boss, vertegenwoordigd mr. R. van Eck, advocaat te Groenlo, vergezeld door haar [directeur] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een bedrijfshal op het perceel met een oppervlakte van circa 2720 m².

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Driehoek" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Perifere detailhandelsvoorzieningen en Bedrijfsdoeleinden-PDV/B".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 14, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder gebouw verstaan: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 5, wordt bij de toepassing van de planvoorschriften het grondoppervlak van een bouwwerk gemeten tussen de buitenste verticale projecties van de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren;

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, zijn de met deze bestemming aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor de vestiging van perifere detailhandel.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, zijn in verband met de bestemming gebouwen toegelaten

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, gelden de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd;

b. het bebouwingspercentage, berekend over de gronden binnen het bouwvlak mag maximaal 70 bedragen;

c. de omvang van een gebouw bedraagt maximaal 1600 m²;

d. de bouwhoogte van de gebouwen bedraagt minimaal 3,5 m en maximaal 10,5 m;

e. Indien op een bouwperceel meerdere bedrijfsgebouwen worden gebouwd dienen deze aan elkaar vast te worden gebouwd met dien verstande dat de gebouwen elkaar aan beide zijden moeten overlappen over een breedte van minimaal 5 m. Het hoogteverschil van de aan elkaar vast gebouwde bedrijfsgebouwen bedraagt minimaal 2 m.

2.3. Reggestad c.s. betogen dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, heeft miskend dat de op te richten hal uit twee gebouwen bestaat die beide aan het in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c van de planvoorschriften gestelde vereiste voldoen.

2.3.1. Dit betoog faalt. Volgens de aan de aanvraag om bouwvergunning ten grondslag gelegde bouwtekening heeft het bouwplan betrekking op één voor mensen toegankelijke, overdekte en met wanden omsloten ruimte. De voorziene hal is daarmee één gebouw in de zin van artikel 1, aanhef en onder 14, van de planvoorschriften dat, gemeten volgens de in artikel 2, aanhef en onder 5, voorgeschreven wijze, een oppervlak heeft van circa 2720 m². Dat de hal volgens het bouwplan inspringt en hoogteverschillen heeft, betekent niet dat deze daarmee bestaat uit meerdere gebouwen in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Aan de door Reggestad c.s. aangehaalde toelichting bij het bestemmingsplan en het Beeldkwaliteitsplan komt, wat daar verder van zij, bij de uitleg van deze planvoorschriften niet de betekenis toe die Reggestad c.s. daaraan gehecht willen zien, reeds omdat die voorschriften op zichzelf duidelijk zijn. Omdat de oppervlakte van het gebouw het in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, voorgeschreven maximum overschrijdt, is de conclusie van de voorzieningenrechter dat het bouwplan met het bestemmingsplan in strijd is juist.

2.4. Reggestad c.s. betogen verder dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het besluit op bezwaar, wat betreft de toetsing aan redelijke eisen van welstand, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet op een deugdelijke motivering rust, heeft miskend dat het bouwplan aan het welstandsadvies van 29 augustus 2006 voldoet.

2.4.1. Ook dat betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat aan het besluit op bezwaar geen advies als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Woningwet ten grondslag is gelegd, waaruit blijkt dat de welstandscommissie onvoorwaardelijk met het definitieve bouwplan instemt. Anders dan Reggestad c.s. betogen, kan het stuk van 29 augustus 2006 van het Gelders Genootschap (hierna: de welstandscommissie) niet als zodanig worden aangemerkt. Hierin staat dat de welstandscommissie met belangstelling uitkijkt naar een op onderdelen aangepast en nader uitgewerkt bouwplan met betrekking tot de gewenste reclame-uitingen, een verplaatste entree en een beperking van het entreevolume. Niet gebleken is dat, voordat het besluit op bezwaar werd genomen, aan de welstandscommissie een aldus aangepast bouwplan ter beoordeling is voorgelegd, dat vervolgens door haar van een advies, als bedoeld in evenbedoelde bepaling van de Woningwet is voorzien. Dat het college bij brief van 9 oktober 2006 aan Reggestad c.s., zoals zij stellen, heeft laten weten, onder welke omstandigheden de welstandscommissie met het bouwplan zou instemmen, leidt niet tot een ander oordeel, nu die brief niet van de welstandscommissie afkomstig is en ook daarin een voorbehoud wordt gemaakt.

Het na de aangevallen uitspraak overgelegde positieve stempeladvies van de welstandscommissie van 24 juli 2007 geeft geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 mei 2007 in stand te laten, reeds omdat het bouwplan, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen, in strijd is met het bestemmingsplan en voor vergunningverlening, gezien de gemotiveerde bezwaren van Big Boss met betrekking tot de welstandstoets, niet met enkele verwijzing naar een stempeladvies kan worden volstaan.

2.5. Reggestad c.s. betogen voorts dat in elk geval de schorsing van het besluit van 6 februari 2007 tot zes weken na bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar moet worden opgeheven.

Ter zitting is gebleken dat ten behoeve van het bouwplan inmiddels een procedure ter verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is gestart en dat het college besloten heeft de daarvoor vereiste verklaring van geen bezwaar bij het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan te vragen.

Niet aannemelijk is dat aan het besluit van 6 februari 2007 verder zodanige gebreken kleven, dat deze bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar niet te herstellen zijn. Onder deze omstandigheden en gelet op het belang van Reggestad c.s. om niet geconfronteerd te worden met grote schade als gevolg van langdurige gedwongen staking van de bouwwerkzaamheden, dient de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening thans te worden opgeheven. Indien Reggestad c.s. van de verleende maar niet in rechte onaantastbare bouwvergunning gebruik maken, nemen zij de gevolgen daarvan overigens voor hun risico.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. heft de getroffen voorlopige voorziening op.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op

429-543.