Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200704068/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2007 heeft het college aan Motorsport Club Boekel (hierna: MCB) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossterrein op circuit "Bezuidenhout" op het perceel Putakker 6 te Boekel. Dit besluit is op 2 mei 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/413
JOM 2009/412
M en R 2008, 70
Module Ruimtelijke ordening 2008/4892

Uitspraak

200704068/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg, en anderen,

2. de regionaal inspecteur VROM-Inspectie Regio Zuid,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boekel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2007 heeft het college aan Motorsport Club Boekel (hierna: MCB) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossterrein op circuit "Bezuidenhout" op het perceel Putakker 6 te Boekel. Dit besluit is op 2 mei 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen (hierna: BMF en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2007, en de regionaal inspecteur VROM-Inspectie Regio Zuid (hierna: de VROM-Inspecteur) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2007, beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders van Boekel (hierna: het college) heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

BMF en anderen, de VROM-Inspecteur en MCB hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2008, waar de VROM-Inspecteur, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup, werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mr. C.H.P. Reijnders en ir. J.F.M. de Vreeze, beiden werkzaam bij de VROM-Inspectie, en het college, vertegenwoordigd door P.P.G. Wintjes en ing. A.C. Agterberg, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord MCB, vertegenwoordigd door R. Brink.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt. (Uitspraak van 1 november 2006, in zaak no. 200602308/1, AB 2007, 95.)

2.1.1. Het college betoogt dat het beroep van de VROM-Inspecteur niet-ontvankelijk is voor zover het de beroepsgronden over de bedrijfsduurcorrectie, het bronvermogen van de motoren en het uitzonderen van de wedstrijden van de representatieve bedrijfssituatie betreft. De VROM-Inspecteur heeft hierover volgens het college geen zienswijzen naar voren gebracht. Deze beroepsgronden hebben evenwel betrekking op het besluitonderdeel geluid, waarover door de VROM-Inspecteur zienswijzen naar voren zijn gebracht.

Het college betoogt tevens dat de VROM-Inspecteur geen zienswijzen naar voren heeft gebracht over luchtkwaliteit. Uit de stukken blijkt dat het besproeien van de baan van invloed is op de verspreiding van fijn stof (PM10) buiten de inrichting. Nu de VROM-Inspecteur in beroep heeft aangevoerd dat te veel PM10 vrijkomt uit de inrichting doordat de baan onvoldoende wordt natgehouden, kan zijn zienswijze over het nathouden van de baan worden geacht mede betrekking te hebben op het besluitonderdeel luchtkwaliteit.

Het beroep van de VROM-Inspecteur is derhalve geheel ontvankelijk.

2.2. Het college betoogt dat het beroep van BMF en anderen niet-ontvankelijk is, voor zover het betreft de beroepsgronden inzake de looptijd van de vergunning, hinder door fijn stof en grof stof, geluidhinder vanwege het gebruik van een tractor om de baan te egaliseren, verstoring van de zondagsrust, het gebruik van milieumatten in verband met bodemverontreiniging, parkeeroverlast en de beroepsgrond dat de omgeving van de inrichting op grond van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn) moet worden beschermd. Hierover hebben BMF en anderen volgens het college geen zienswijzen naar voren gebracht.

BMF en anderen hebben zienswijzen aangevoerd over de bescherming van natuurwaarden. De beroepsgrond dat de omgeving van de inrichting op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn moet worden beschermd, heeft eveneens betrekking op de bescherming van natuurwaarden. De beroepsgronden inzake geluidhinder door het gebruik van een tractor om de baan te egaliseren en inzake verstoring van de zondagsrust, hangen samen met het besluitonderdeel geluidhinder. BMF heeft hierover zienswijzen naar voren gebracht. De overige indieners van het beroepschrift hebben geen zienswijzen over geluidhinder naar voren gebracht. Nu het besluit op dit onderdeel is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit, kan hen echter redelijkerwijs niet worden verweten dat zij daarover geen zienswijze naar voren hebben gebracht. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om het beroep van BMF en anderen op deze punten niet-ontvankelijk te verklaren.

BMF en anderen hebben geen zienswijzen naar voren gebracht over parkeerhinder, hinder door fijn stof en grof stof, de looptijd van de vergunning en bodemverontreiniging. Voor zover het beroep van BMF en anderen betrekking heeft op deze besluitonderdelen, is het derhalve niet-ontvankelijk.

Bevoegd gezag

2.3. De VROM-Inspecteur voert aan dat het college niet het bevoegde gezag is voor de vergunningverlening, omdat het terrein langer dan acht uur per week is opengesteld.

2.3.1. Ingevolge onderdeel 19.2 van bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb), in samenhang met artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zijn gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, indien deze aanvraag betrekking heeft op een inrichting behorende tot categorie 19.1, onder g, sub 2°, van bijlage I bij het Ivb, voor zover het betreft een terrein, geen openbare weg zijnde, dat bestemd of ingericht is voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen, en dat daartoe acht uren per week of meer is opengesteld.

Ingevolge onderdeel 19.3 van bijlage I behorende bij het Ivb, voor zover hier van belang, blijven voor de toepassing van onderdeel 19.2 buiten beschouwing terreinen die langer zijn opengesteld, indien dit een gevolg is van ruimere openingstijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, met het oog op het houden van wedstrijden op die terreinen of voor het voorbereiden van zodanige wedstrijden.

2.3.2. Niet in geschil is dat de aanvraag betrekking heeft op een inrichting behorende tot categorie 19.1, onder g, sub 2°, van bijlage I bij het Ivb. De vergunning is aangevraagd en verleend voor het houden van motorcrosstrainingen gedurende maximaal 7 uur en 55 minuten per week, alsmede voor het houden van motorcrosswedstrijden gedurende maximaal drie weekeinden per jaar. Nu op het houden van wedstrijden in dit geval het bepaalde in onderdeel 19.3 van bijlage I bij het Ivb van toepassing is, is slechts de duur van de wekelijkse trainingen bepalend voor de beantwoording van de vraag welk bestuursorgaan het bevoegd gezag voor de vergunningverlening is. De trainingen zijn aangevraagd voor minder dan acht uur per week. Het motorcrossterrein is derhalve voor minder dan acht uren per week opengesteld voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen, zodat het college bevoegd was op de aanvraag te beslissen. Of in andere bronnen afwijkende openingstijden voor het motorcrosscircuit zijn vermeld, zoals de VROM-Inspecteur stelt, is in dit verband niet van belang, omdat uitsluitend de aanvraag bepalend is voor de beantwoording van de vraag welk bestuursorgaan bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

Deze beroepsgrond faalt.

Milieu-effectrapportage

2.4. BMF en anderen voeren aan dat voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit een milieu-effectrapport had moeten worden opgesteld. De VROM-Inspecteur betoogt dat het college krachtens artikel 7.8b van de Wet milieubeheer had moeten beoordelen of een milieu-effectrapport had moeten worden gemaakt. Hiertoe voert hij aan dat de inrichting meer dan acht uur per week is opengesteld. Ook indien de inrichting minder dan acht uur per week in werking is, geldt volgens hem in dit geval een mer-beoordelingsplicht vanwege de ligging van de inrichting binnen de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: de EHS).

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat geen mer-beoordelingsplicht geldt voor de aangevraagde activiteiten, omdat de omvang hiervan onder de drempelwaarde blijft die in de bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer) is vermeld.

2.4.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In categorie 43 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer is als zodanige activiteit aangewezen de aanleg, wijziging of uitbreiding van een terrein, niet zijnde een openbare weg, bestemd of ingericht voor het in wedstrijdverband of ter voorbereiding daarvan dan wel voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een openstelling van acht uren of meer per week.

2.4.3. Uit de Nota van Toelichting bij het Besluit mer leidt de Afdeling af dat bij de toepassing van categorie 43 van onderdeel D van de bijlage - overeenkomstig hetgeen in onderdeel 19.3 van bijlage I behorende bij het Ivb is bepaald - buiten beschouwing dienen te blijven terreinen die langer zijn opengesteld dan acht uur per week, indien dit een gevolg is van ruimere openingstijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, met het oog op het houden van wedstrijden op die terreinen of voor het voorbereiden van zodanige wedstrijden. Het houden van trainingen op het motorcrossterrein is aangevraagd en vergund voor maximaal 7 uur en 55 minuten per week. Het motorcrossterrein is derhalve voor minder dan acht uur per week opengesteld voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen. Dit heeft tot gevolg dat de aangevraagde activiteit niet mer-beoordelingsplichtig is op grond van artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met categorie 43 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer.

Voor zover de VROM-Inspecteur heeft betoogd dat op grond van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: de mer-richtlijn) niettemin een mer-beoordelingsplicht bestond, overweegt de Afdeling het volgende. In de enkele omstandigheid dat de inrichting is gelegen binnen de EHS ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van zodanige omstandigheden dat bij het beantwoorden van de vraag of er een mer-beoordelingsplicht bestaat, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de mer-richtlijn, geen doorslaggevende betekenis zou toekomen aan het feit dat geen overschrijding plaatsvindt van de drempelwaarde die met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de mer-richtlijn in de bijlage van het Besluit mer is vastgesteld.

Deze beroepsgrond faalt.

Toetsingskader

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Bestemmingsplan

2.6. BMF en anderen en de VROM-Inspecteur voeren aan dat gedeputeerde staten goedkeuring hebben onthouden aan het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2005’, zodat er geen bestemmingsplan zal zijn dat de aanwezigheid van de inrichting toelaat. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer.

Deze beroepsgrond faalt.

Ontbreken bouwvergunning

2.7. BMF en anderen en de VROM-Inspecteur betogen dat voor de geluidwerende voorzieningen in de inrichting een bouwvergunning vereist is, die volgens hen niet kan worden verleend. Het ontbreken van een bouwvergunning staat er evenwel niet aan in de weg dat krachtens de Wet milieubeheer een vergunning wordt verleend.

Deze beroepsgrond faalt.

Naleving

2.8. BMF en anderen voeren aan dat in het verleden afspraken niet zijn nagekomen. Ook vrezen zij dat aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van de thans ter beoordeling staande vergunning.

Deze beroepsgrond faalt.

Bodemverontreiniging

2.9. De VROM-Inspecteur voert aan dat ten onrechte geen bodembelastingonderzoek is voorgeschreven.

2.9.1. Blijkens het bestreden besluit heeft het college bij de beoordeling van de risico’s op bodemverontreiniging aansluiting gezocht bij de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (hierna: de NRB). Het college stelt zich op het standpunt dat een bodembelastingonderzoek in dit geval niet noodzakelijk is, omdat reeds een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging wordt bereikt (bodemrisicocategorie A). Voorts wijst het college op de relatief beperkte omvang van de bodembedreigende activiteiten, de omvang van de inrichting, de algemene staat van de inrichting en de getroffen voorzieningen om bodemverontreiniging tegen te gaan.

2.9.2. In de inrichting vinden bodembedreigende activiteiten plaats, waaronder het aftanken en repareren van motoren en de opslag van motorolie. In deel A2, paragraaf 2.2, van de NRB is vermeld dat, zelfs als door voorzieningen en maatregelen het risico op bodembelasting verwaarloosbaar is gemaakt, bodemverontreiniging niet volledig is uitgesloten. Voor bodembedreigende activiteiten binnen de inrichting kan in het kader van de Wet milieubeheer toekomstgericht onderzoek naar bodembelasting worden voorgeschreven, bestaande uit een nulsituatieonderzoek en een eindsituatieonderzoek. Een nulsituatieonderzoek heeft tot doel het referentieniveau van de feitelijke bodemkwaliteit vast te leggen. Daarmee wordt een toetsingsgrondslag verkregen met het ook op toekomstige bodemverontreiniging. Ook bij een verwaarloosbaar bodemrisico is het verkrijgen van zo’n toetsingsgrondslag volgens de NRB noodzakelijk om - door middel van een eindsituatieonderzoek - te kunnen bepalen of er een bodemverontreiniging is opgetreden, ondanks de getroffen bodembeschermende voorzieningen en maatregelen.

De NRB beperkt de onderzoeksplicht derhalve niet tot gevallen waarin een meer dan verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging bestaat. Aangezien het motorcrossterrein reeds enkele tientallen jaren in gebruik is geweest, acht de Afdeling het voorts niet onaannemelijk dat in het verleden bodemverontreiniging is veroorzaakt. Ook de omvang van de inrichting maakt niet dat geen bodembelastingonderzoek kan worden voorgeschreven, nu het onderzoek zich volgens de NRB kan beperken tot de plaatsen waar bodemverontreiniging zou kunnen ontstaan.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het voorschrijven van een bodembelastingonderzoek niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Deze beroepsgrond slaagt.

Geluid

2.10. BMF en anderen en de VROM-Inspecteur vrezen geluidhinder vanwege de inrichting.

De VROM-Inspecteur voert in dit verband onder meer aan dat de wedstrijden op het motorcrosscircuit deel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie, zodat het college hierop niet de zogenoemde 12 dagen-regeling kon toepassen. Daarnaast heeft het college volgens hem nagelaten het referentieniveau van het omgevingsniveau te bepalen.

2.10.1. In voorschrift 6.1.1 zijn grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van een aantal nabijgelegen woningen vanwege het in werking zijn van de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie. Deze grenswaarden variëren van 45 tot 50 dB(A) in de dagperiode.

In voorschrift 6.1.2 zijn grenswaarden opgenomen voor het maximale geluidniveau (LAmax) ter plaatse van een aantal nabijgelegen woningen vanwege het in werking zijn van de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie. Deze grenswaarden variëren van 51 tot 58 dB(A) in de dagperiode.

In voorschrift 6.1.3 zijn grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau ter plaatse van een aantal nabijgelegen woningen tijdens wedstrijden. Deze grenswaarden variëren van 63 tot 68 dB(A) in de dagperiode voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en van 58 tot 67 dB(A) in de dagperiode voor het maximale geluidniveau.

2.10.2. Ten aanzien van het betoog van de VROM-Inspecteur dat het college bij het stellen van de geluidgrenswaarden in de vergunning ten onrechte onderscheid heeft gemaakt tussen het gebruik van het motorcrossterrein voor trainingen en het gebruik voor wedstrijden, overweegt de Afdeling het volgende.

Bij de beoordeling van geluidhinder vanwege de inrichting heeft het college de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen. In de geluidvoorschriften heeft het college onderscheid gemaakt tussen de representatieve bedrijfssituatie, zijnde de trainingen, enerzijds en de wedstrijden anderzijds. Voor de wedstrijddagen is voorschrift 6.1.3 aan de vergunning verbonden. Het college heeft daarbij aansluiting gezocht bij de in paragraaf 5.3 van de Handreiking neergelegde ontheffingsregeling, het zogenoemde 12 dagen-criterium. Op grond van dit criterium kan ontheffing worden verleend om maximaal 12 maal per jaar (uitgangspunt is dat het per keer steeds gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal een etmaal) activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie. Het gaat dan volgens de Handreiking om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie. Volgens de Handreiking is de representatieve bedrijfssituatie de toestand waarbij de voor de geluidsproductie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor een bedrijfsvoering bij volledige capaciteit in de te beschouwen etmaalperiode.

Het motorcrossterrein wordt gedurende het gehele jaar gedurende twee dagdelen per week gebruikt voor trainingen. Daarnaast mogen tijdens maximaal drie weekeinden per jaar wedstrijden worden gehouden. De Afdeling is van oordeel dat het hierbij gaat om bijzondere activiteiten, die het college terecht heeft aangemerkt als incidentele bedrijfssituaties. Daarbij is mede van belang dat de wedstrijden - in tegenstelling tot hetgeen de VROM-Inspecteur heeft betoogd - in akoestisch opzicht afwijken van de trainingen, onder meer omdat daarbij een groter aantal rijders tegelijk op de baan aanwezig is, de zogeheten hoge springtafel mag worden gebruikt en een omroepinstallatie wordt gebruikt. Voorts is van belang dat de frequentie van de wedstrijden zodanig is, dat deze volgens onderdeel 19.3 van bijlage I bij het Ivb bij de toepassing van onderdeel 19.2 van die bijlage buiten beschouwing blijven, zodat de inrichting niet reeds vanwege de wedstrijden onder categorie 19.2 van bijlage I bij het Ivb valt.

Anders dan de VROM-Inspecteur heeft betoogd, is bij de wedstrijden voorts geen sprake van een aaneengesloten periode van meer dan één etmaal. Op de wedstrijddagen mag uitsluitend van 9.30 tot 18.00 uur van het motorcrossterrein gebruik wordt gemaakt, zodat een wedstrijdweekend kan worden beschouwd als twee afzonderlijke perioden van minder dan één etmaal. Nu het aantal vergunde wedstrijddagen lager is dan twaalf, kon het college op grond van het 12 dagen-criterium afzonderlijke geluidgrenswaarden voor de wedstrijden aan de vergunning verbinden.

2.10.3. Bij het vaststellen van de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij trainingen in voorschrift 6.1.1 heeft het college hoofdstuk 4 van de Handreiking tot uitgangspunt genomen. Uit het bestreden besluit leidt de Afdeling af dat het college de inrichting heeft beschouwd als nieuwe inrichting. Het betoog van de VROM-Inspecteur dat in dit geval de systematiek voor nieuwe inrichtingen had moeten worden gevolgd, mist derhalve feitelijke grondslag.

Niet in geschil is dat de omgeving van de inrichting kan worden aangemerkt als een landelijke omgeving. Hiervoor geldt volgens de Handreiking een richtwaarde van 40 dB(A) in de dagperiode. Ten aanzien van nieuwe inrichtingen wordt in hoofdstuk 4 van de Handreiking aanbevolen dat bij de eerste toetsing de richtwaarden worden gehanteerd. Voorts is vermeld dat een overschrijding van de richtwaarden toelaatbaar kan zijn op grond van een bestuurlijk afwegingsproces. Een belangrijke rol daarbij speelt het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid. Als maximumniveau geldt de etmaalwaarde van 50 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woningen of het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

De grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in voorschrift 6.1.1 zijn hoger dan de volgens de Handreiking geldende richtwaarde. Het college heeft afwijking van de richtwaarde aanvaardbaar geacht. Hiertoe heeft het college onder meer overwogen dat verschillende maatregelen worden getroffen ter beperking van de geluidbelasting - te weten beperking van het aantal rijders, het toepassen van geluiddempers op de motoren, het verhogen van de geluidswal aan de noordzijde van het terrein tot 4,5 meter en het niet gebruiken van de hoogste springbult tijdens trainingen - , dat verdere maatregelen vanwege de hoge kosten daarvan niet van MCB kunnen worden gevergd, dat het motorcrosscircuit slechts gedurende een relatief gering aantal uren per week mag worden gebruikt en dat de in de Handreiking genoemde grenswaarde van 50 dB(A) op geen van de beoordelingspunten wordt overschreden.

Blijkens het bestreden besluit heeft het college het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse niet vastgesteld, omdat er volgens het college geen reden was om aan te nemen dat het referentieniveau hoger is dan de richtwaarde. Noch in het bestreden besluit, noch ter zitting heeft het college echter concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan dit aannemelijk is. Nu in hoofdstuk 4 van de Handreiking is vermeld dat bij het stellen van geluidgrenswaarden die hoger zijn dan de richtwaarden, het referentieniveau van het omgevingsgeluid een belangrijke rol dient te spelen in de bestuurlijke afweging van het bevoegd gezag, kon het college naar het oordeel van de Afdeling niet afzien van het bepalen van het referentieniveau van het omgevingsgeluid alvorens zijn bestuurlijke afweging te maken. Het college is derhalve zonder deugdelijke motivering afgeweken van het door hem gekozen uitgangspunt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.11. Het beroep van BMF en anderen is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het beroep van de VROM-Inspecteur is gegrond. Aangezien het aspect geluidhinder bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de vergunning, zoals aangevraagd, kan worden verleend, dient het bestreden besluit geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.12. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen niet-ontvankelijk voor zover het betreft de beroepsgronden inzake parkeerhinder, hinder door fijn stof en grof stof, de looptijd van de vergunning en bodemverontreiniging;

II. verklaart het beroep van de regionaal inspecteur VROM-Inspectie Regio Zuid gegrond;

III. verklaart het beroep van de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen voor het overige gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boekel van 16 april 2007, kenmerk Nr. V4-2006;

V. gelast dat de gemeente Boekel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de regionaal inspecteur VROM-Inspectie Regio Zuid, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

483.