Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200705395/1, 200705270/1, 200705171/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 82 woningen op het perceel Vincent van Goghweg (voorslagterrein) te Zaandam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705395/1, 200705270/1, 200705171/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraken in zaak nrs. 06-3159, 06-4485 en 06-3164 van de rechtbank Haarlem van 11 juni 2007 in het geding tussen:

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 82 woningen op het perceel Vincent van Goghweg (voorslagterrein) te Zaandam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, de door [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 11 juni 2007, verzonden op 19 juni 2007, respectievelijk 14 juni 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) de door [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 9 februari 2006 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [appellant sub 3], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2007, [appellanten sub 2], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2007, en [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep van [appellanten sub 2] zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007. De gronden van het hoger beroep van [appellant sub 1] zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghoudster] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2008, waar [appellant sub 1], in persoon, bijgestaan door mr. D. Elmhassani, advocaat te Haarlem, en ing. J.A. Nieuwenhuizen, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. H. Elmas, advocaat te Haarlem, en [gemachtigde], [appellant sub 3], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Marinus, P.J.M. Duijn en P.L. de Vries, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam en Q.I. van der Poel, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.2. De hoger beroepen zijn gericht tegen de aangevallen uitspraken, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 9 februari 2006 geheel in stand blijven.

2.3. Het bouwplan, bekend onder de naam "De Zwarte Bruinvisch", voorziet in het bouwen van een appartementencomplex met bijbehorende commerciële ruimte van vier tot zes bouwlagen en vier rijen eengezinswoningen van drie bouwlagen op het perceel.

2.4. [appellant sub 3] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat voor het bouwplan slechts krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling mocht worden verleend. Daartoe voert hij aan dat volgens de nota "Vrijstellingenbeleid artikel 19 WRO" slechts met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling mag worden verleend, indien het bouwplannen betreft die niet in strijd zijn met het gemeentelijk beleid en geen andere belangen zich tegen deze plannen verzetten.

2.4.1. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van de door het college van gedeputeerde staten opgestelde lijst met categorieën van gevallen kan het college zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen voor projecten die niet afwijken van vastgesteld ruimtelijk beleid of van vastgesteld ruimtelijk rijksbeleid en die geen speerpunten van beleid betreffen.

2.4.2. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het bouwplan valt in bovenstaande, door het college van gedeputeerde staten aangegeven categorie van gevallen. Hiervoor kon dus met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling worden verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 januari 2004 in zaak nr. 200303592/1), behoort, indien krachtens artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, geen vrijstelling krachtens het eerste lid te worden verleend. Het stond het college derhalve niet vrij met toepassing van die bepaling vrijstelling ten behoeve van het bouwplan te verlenen, zodat het betoog reeds om die reden faalt.

2.5. Voorts betoogt [appellant sub 3] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het besluit op bezwaar zorgvuldig heeft voorbereid. Daartoe voert hij aan dat het college er blijkens het stuk dat dient als ruimtelijke onderbouwing van uit is gegaan dat het perceel als schoolterrein is bestemd, terwijl slechts een klein deel van het perceel als zodanig is bestemd.

2.5.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Schilders- en Waddenbuurt" rusten op delen van het perceel de bestemmingen "Openbaar groen", "Bijzondere bebouwing met bijbehorend erf" en "Woonstraat".

Ingevolge de ter plaatse als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplannen "Uitbreidingsplan Lyceumbuurt" en "Herziening Uitbreidingsplan Lyceumbuurt" rusten op delen van het perceel de bestemmingen "openbaar of bijzonder gebouw met bijbehorend terrein".

2.5.2. In het stuk dat dient als ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het perceel een voormalig schoolterrein betreft. Hieruit valt niet af te leiden dat het college niet heeft onderkend welke bestemmingen op het perceel rusten, te minder nu het deze bestemmingen alle in het besluit op bezwaar heeft vermeld. De rechtbank heeft in het door [appellant sub 3] aangevoerde dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college het besluit op bezwaar onzorgvuldig heeft voorbereid.

2.6. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. [appellanten sub 2] voeren daartoe aan dat niet is gebleken dat behoefte bestaat aan het type woningen waarin het bouwplan voorziet, temeer nu elders in de gemeente Zaanstad eveneens woningbouw wordt gerealiseerd. Voorts betogen zij dat het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de voor het perceel geldende bestemmingsplannen, anders dan is vermeld in het stuk dat dient als ruimtelijke onderbouwing, niet worden herzien.

2.6.1. Het perceel is in het streekplan Noord-Holland Zuid aangemerkt als stedelijk gebied en in de structuurschets Zaanstad 2005 als bestaand stedelijk gebied. De rechtbank heeft terecht aannemelijk geacht dat in dit gebied behoefte bestaat aan nieuwe woningen. Hieraan doet de enkele stelling dat het college niet heeft onderbouwd dat behoefte bestaat aan het type woningen waarin het bouwplan voorziet niet af. In zijn verweerschrift van 7 september 2007 heeft het college vermeld dat in de naaste omgeving van het project geen woningbouw in ontwikkeling is. In het door [appellanten sub 2] vermelde project Inverdan, waarvan het centrale gedeelte meer dan een kilometer van het perceel is gelegen, zijn bovendien geen eengezinswoningen gepland.

De omstandigheid dat in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat in 2004 gestart zal worden met de herziening van het bestemmingsplan dat voor het perceel geldt, terwijl dit eerst in 2007 is gebeurd, betekent niet dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Deze passage vormt immers geen onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan.

2.7. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het bouwplan. Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat de lichtinval in zijn woning en het uitzicht vanuit zijn woning drastisch worden verminderd. Zowel [appellant sub 1] als [appellanten sub 2] voeren aan dat het college had moeten onderzoeken in hoeverre er mogelijkheden bestaan om het bouwplan aan te passen teneinde dit nadeel te beperken. Voorts voeren [appellanten sub 2] aan dat ten onrechte niet is voorzien in compensatie van groen- en speelvoorzieningen die verdwijnen doordat met de vrijstelling de op delen van het perceel rustende bestemming "Openbaar groen" komt te vervallen. [appellanten sub 2] voeren voorts aan dat het bouwplan leidt tot een toename van verkeers- en geluidsoverlast en vermindering van privacy. Zowel [appellant sub 1] als [appellanten sub 2] voeren aan dat bij het bouwplan niet voldoende parkeerplaatsen zijn voorzien.

2.7.1. Dat de lichtinval in zijn woning en het uitzicht vanuit zijn woning door het bouwplan drastisch verminderen, heeft [appellant sub 1] niet bij de rechtbank naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom hij dit niet reeds voor de rechtbank had kunnen aanvoeren en [appellant sub 1] dit gelet op de functie van het hoger beroep had behoren te doen, dient dit buiten beschouwing te blijven.

2.7.2. Ten aanzien van het argument dat het college alternatieven had moeten onderzoeken, wordt overwogen dat het college eerst en vooral heeft te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

2.7.3. In het besluit op bezwaar heeft het college vermeld dat voor het groen dat vanwege het bouwplan moet verdwijnen ander openbaar groen en het groen in de tuinen in de plaats komt. Dat geen sprake is van volledige compensatie leidt niet tot het oordeel dat de vrijstelling dus niet verleend mocht worden. In de gegeven omstandigheden mocht het college aan de andere belangen zwaarder gewicht toekennen.

2.7.4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan goed is ontsloten voor autoverkeer, (brom)fietsverkeer en openbaar vervoer zodat het niet tot verkeersoverlast zal leiden. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet juist is of dat de verkeersveiligheid door het bouwplan afneemt.

2.7.5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat geluidbelasting voor omwonenden toeneemt doordat de Vincent van Goghweg als gevolg van het bouwplan aan weerszijden wordt bebouwd, gezien de breedte van de Vincent van Goghweg en de geringe hoogte van het gebouw aan de andere zijde van deze weg. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is.

De vaststelling van hogere grenswaarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op grond van artikel 83 van de Wet geluidhinder door het college van gedeputeerde staten met betrekking tot het bouwplan is bij uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2006 in zaak nr. 200510321/1  in rechte onaantastbaar geworden. Hetgeen [appellanten sub 2] hieromtrent aanvoeren, is in deze procedure niet aan de orde.

2.7.6. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, onder a, van de bouwverordening Zaanstad 2001 (hierna: de bouwverordening) moet, indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is aangeduid op de kaarten 1 tot en met 4 van de nota's "Bouwen en Parkeren, onderzoeksnota" en "Bouwen en Parkeren, werkdocument (vastgesteld door de Raad d.d. 21 oktober 1999)" als zijnde een gebied dat per openbaar vervoer uitstekend of goed bereikbaar is, conform de in genoemde nota's in bijlage I beschreven normering voor A- en B-locaties, voor zover de omvang of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, onder b, van de bouwverordening kan in dat geval de reductiefactor zoals genoemd in bijlage I van genoemde nota's voor A- en B-locaties worden toegepast.

2.7.7. Anders dan [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college bij de beantwoording van de vraag of bij het bouwplan voldoende parkeerplaatsen voorzien zijn geen aansluiting heeft mogen zoeken bij de nota "Bouwen en Parkeren". Anders dan [appellant sub 1] betoogt, geldt voor de eengezinswoningen niet de in deze nota vermelde parkeernorm voor geschakelde woningen. In het algemeen gangbare taalgebruik gaat het bij geschakelde woningen om woningen die enkele meters in- of uitspringen ten opzichte van elkaar. Daarvan is bij de eengezinswoningen in het bouwplan geen sprake.

In de omstandigheid dat ten tijde van het besluit op bezwaar de nota "Actualisatie woninggebonden parkeernormen" in werking was getreden, heeft de rechtbank geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de door het college op basis van de voorafgaande nota "Bouwen en Parkeren" gemaakte berekening, waarbij reductiefactor 0,8 is toegepast, onjuist is. Bij de vaststelling van deze nota is namelijk bepaald dat deze van toepassing is op aanvragen om een bouwvergunning, ingediend op of na 1 mei 2005. Nu de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwplan op 4 juni 2002 is ingediend, is de oude nota van toepassing. In de nota "Bouwen en Parkeren" is een reductiefactor van 0,8 vermeld voor woningen op B-locaties bij goed openbaar vervoer. Het college heeft terecht vastgesteld dat de parkeerbehoefte ten behoeve van het bouwplan bestaat uit 79 parkeerplaatsen, waarvan 51,6 openbaar toegankelijk moeten zijn.

2.7.8. Bij de realisering van het bouwplan komen, zoals [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] opmerken, 57 bestaande, openbaar toegankelijke parkeerplaatsen te vervallen. Deze worden slechts gecompenseerd in zoverre de in het plan voorziene openbaar toegankelijke parkeerplaatsen - 62 - het hiervoor genoemde aantal van 51,6 te boven gaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 februari 2008 in zaak nr. 200704660/1), dient rekening te worden gehouden met het verlies van de in de bestaande situatie aanwezige parkeerplaatsen ten gevolge van het bouwplan. Het college heeft vermeld dat deze 57 parkeerplaatsen waren aangelegd ten behoeve van het voormalige theater De Speeldoos, dat inmiddels is omgebouwd tot een kleinschalig appartementengebouw met eigen parkeerplaatsen. Het is volgens het college niet de bedoeling geweest dat deze 57 parkeerplaatsen een permanente parkeervoorziening voor de buurt zouden worden. Dit neemt echter niet weg dat het college geen rekening heeft gehouden met het verlies van 57 in de bestaande situatie aanwezige parkeerplaatsen ten gevolge van het bouwplan. Het college heeft niet gemotiveerd dat, ondanks het verlies van deze parkeerplaatsen, dat slechts gedeeltelijk gecompenseerd wordt, voldoende parkeerplaatsen voor de buurt overblijven. De rechtbank heeft daarom niet onderkend dat zij niet mocht bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 9 februari 2006 in stand blijven.

2.8. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd, voor zover bij deze uitspraken is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 9 februari 2006 geheel in stand blijven.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij wordt opgemerkt dat de door [appellant sub 1] gemaakte kosten verbonden aan het meebrengen van een deskundige en ten behoeve van het opstellen van het deskundigenrapport van ing. J.A. Nieuwenhuizen van Spectra Projectmanagement van 14 januari 2008 met betrekking tot de lichtinval in de woning van [appellant sub 1] en het uitzicht vanuit deze woning niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten tijde van het inroepen van de deskundige mocht [appellant sub 1] niet ervan uitgaan dat de deskundige een bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de Afdeling van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Het deskundigenrapport van ing. J.A. Nieuwenhuizen is overgelegd in het kader van een beroepsgrond die [appellant sub 1] niet bij de rechtbank naar voren heeft gebracht en die, zoals onder 2.7.1. is overwogen, buiten beschouwing dient te blijven.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 11 juni 2007 in zaak nrs. 06-3159, 06-4485 en 06-3164 voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 9 februari 2006 in stand blijven;

III. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,48 (zegge: zeshonderdzesenzestig euro en achtenveertig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrage van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 22,48 (zegge: tweeëntwintig euro en achtenveertig cent) aan reiskosten; deze bedragen dienen door de gemeente Zaanstad aan [appellant sub 1], aan [appellanten sub 2] en aan [appellant sub 3] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Zaanstad aan [appellant sub 1], aan [appellanten sub 2] en aan [appellant sub 3] de door hen betaalde griffierechten ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro), € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) en € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van de hoger beroepen vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

218-499.