Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7629

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200705673/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 23 (lees: 26) en 26 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) aan [vergunninghouder] onderscheidenlijk bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het oprichten van een paardenstal op het perceel [locatie] te Zoetermeer (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705673/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/5405 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 31 juli 2007 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 23 (lees: 26) en 26 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) aan [vergunninghouder] onderscheidenlijk bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het oprichten van een paardenstal op het perceel [locatie] te Zoetermeer (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 juli 2007 heeft het college naar aanleiding van het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar het besluit van 26 februari 2007 tot verlening van bouwvergunning herroepen en vrijstelling verleend onder de voorwaarde dat indien inpassing van de longeerbak en mestopslag niet mogelijk blijkt, de desbetreffende bouwwerken zullen worden gesaneerd.

Bij besluit van 26 juli 2007 heeft het college het besluit van 19 juli 2007 gewijzigd en vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een paardenstal op het perceel onder de voorwaarde dat indien inpassing van de longeerbak en mestopslag niet mogelijk blijkt, de desbetreffende bouwwerken zullen worden gesaneerd.

Bij uitspraak van 31 juli 2007, verzonden op 2 augustus 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het tegen de besluiten van 19 juli 2007 en 26 juli 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 oktober 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 31 juli 2007, verzonden op 7 augustus 2007, heeft de voorzieningenrechter de uitspraak, verzonden op 2 augustus 2007, gerectificeerd.

Bij besluit van 27 september 2007 heeft het college het besluit van 19 juli 2007, gewijzigd bij besluit van 26 juli 2007, wederom gewijzigd en aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend waarbij de voorwaarde dat indien inpassing van de longeerbak en mestopslag niet mogelijk blijkt, de desbetreffende bouwwerken zullen worden gesaneerd is vervallen.

[vergunninghouder] en [appellanten] hebben een nader stuk ingediend. Deze zijn aan de andere partijen gezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. P.H.N. van Spanje, advocaat te Wageningen, en het college, vertegenwoordigd door M.E.J. Pieters, mr. W.G.M. Coenen en M. Bervoets-Siemer, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], bijgestaan door prof. dr. mr. R. van Baren.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep wordt geacht te zijn ingediend tegen de uitspraak zoals deze moet worden gelezen gezien de gerectificeerde uitspraak van 31 juli 2007, verzonden op 7 augustus 2007.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan gesteld zijn.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zoetermeerse Meerpolder (mei 2000)" (hierna: het bestemmingsplan) is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het plan ten behoeve van het overschrijden van de op de plankaart en in de voorschriften aangegeven maten, minimale en maximale afmetingen van bebouwing en terreinen met maximaal 10%.

Op grond van het ter plaatse geldende wijzigingsplan "1e wijziging bestemmingsplan Zoetermeerse Meerpolder ([locatie])" (hierna: het wijzigingsplan) rust op de gronden waarop de paardenstal is voorzien, de bestemming "woonbebouwing met agrarische nevenactiviteiten".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het wijzigingsplan zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor agrarische nevenactiviteiten in de vorm van het houden, fokken en trainen van paarden, alsmede een paardenpension, met een totale maximale oppervlakte van 300 m².

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van het wijzigingsplan zijn op gronden met deze bestemming uitsluitend toegestaan bijgebouwen met een maximale totale bebouwde oppervlakte van 300 m², een maximale hoogte van 6 m en een maximale goothoogte van 3 m, dan wel ingeval op het moment van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan Zoetermeerse Meerpolder (2000) een grotere hoogte en/of goothoogte bestaat, geldt deze als maximum.

In hoofdstuk III van het wijzigingsplan is, voor zover van belang, bepaald dat het bepaalde in de artikelen 19 tot en met 25 van de voorschriften van het bestemmingsplan op dit wijzigingsplan van toepassing blijven.

2.3. Het bouwplan is, voor zover het betreft de toegestane bouwhoogte, de maximum oppervlakte van de bijgebouwen en de maximum oppervlakte waarop agrarische nevenactiviteiten mogen plaatsvinden, in strijd met het wijzigingsplan. Om niettemin medewerking aan het bouwplan te verlenen heeft het college krachtens artikel 15, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) gelezen in samenhang met artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan vrijstelling verleend.

2.4. Het door [vergunninghouder] gedane beroep op het overgangsrecht dient buiten behandeling te worden gelaten, nu door hem geen hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter.

2.5. [appellanten] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgrond dat het college niet bevoegd is vrijstelling te verlenen van de oppervlaktemaat voor agrarische nevenactiviteiten, zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het wijzigingsplan.

2.5.1. Hoewel de voorzieningenrechter ten onrechte aan dit betoog geen overwegingen heeft gewijd, bestaat geen grond voor het oordeel, zoals [appellanten] heeft betoogd, dat de vrijstellingsbevoegdheid van het college krachtens artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan geen betrekking heeft op de oppervlaktemaat van 300 m² voor agrarische nevenactiviteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het wijzigingsplan. In artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan is het verlenen van vrijstelling voor de maximale oppervlakte voor agrarische nevenactiviteiten immers niet uitgesloten. De agrarische nevenactiviteiten mogen op grond van het bestemmingsplan derhalve na verkrijging van vrijstelling maximaal 330 m² bedragen.

2.6. [appellanten] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college in dit geval geen gebruik mocht maken van de vrijstellingsbevoegdheid als neergelegd in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan, zodat de bouwvergunning geweigerd had moeten worden.

2.6.1. Uit de in het dossier aanwezige stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de omvang van de oppervlakte voor agrarische nevenactiviteiten ten tijde van het besluit van 26 juli 2007, waarbij het besluit van 19 juli 2007 is gewijzigd, werd gevormd door de op het perceel aanwezige mestplaat, longeerbak en privé-stal met een totale oppervlakte van 341,00 m². Realisering van de paardenstal, met een oppervlakte van 262,17 m², leidt derhalve tot een totale oppervlakte voor agrarische nevenactiviteiten van 603,17 m². Indien ervan moet worden uitgegaan dat de longeerbak buiten het bestemmingvlak wordt geplaatst, wat blijkens het besluit van 27 september 2007 inmiddels is gebeurd, zodat deze niet langer in de berekening van het totale oppervlak voor agrarische nevenactiviteiten meegeteld dient te worden, bedraagt de totale oppervlakte voor agrarische nevenactiviteiten nog steeds 426,17 m². Ook dan overschrijdt het bouwplan de met toepassing van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan toegestane 330 m² voor agrarische nevenactiviteiten.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de mestplaat planologisch zal worden ingepast en derhalve de oppervlakte van de mestplaat voor de toepassing van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan buiten beschouwing moet worden gelaten. Hiertoe is door [vergunninghouder] een verzoek om vrijstelling ingediend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO en heeft het college bij het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten) een verzoek voor een verklaring van geen bezwaar ingediend. Echter, in het licht van de totstandkomingsgeschiedenis van het wijzigingsplan kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat gedeputeerde staten die verklaring zullen afgeven. Zij hebben in oktober 2006 goedkeuring onthouden aan een zinsnede van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het wijzigingsplan waarin de mestopslag was uitgezonderd van de maximum oppervlakte van 300 m² voor agrarische activiteiten. Evenmin is het reëel te veronderstellen dat de mestplaat, zoals het college voorts heeft gesteld, zal worden gesaneerd. Het is niet mogelijk een paardenhouderij te hebben zonder een mestplaat. Daarnaast blijft op de mestplaat, ook al wordt deze niet gebruikt, de bestemming agrarische nevenactiviteiten rusten. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat de totale oppervlakte voor agrarische nevenactiviteiten op het perceel na realisering van het bouwplan 426,17 m² zal bedragen en het college derhalve niet bevoegd was voor het bouwplan vrijstelling te verlenen. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

Het betoog van [appellanten] slaagt.

2.7. De vraag of ook ten aanzien van de maximaal toegestane hoogte van het bouwplan als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van het wijzigingsplan ten onrechte vrijstelling is verleend krachtens artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan behoeft geen beantwoording meer, omdat de overschrijding van de oppervlakte voor agrarische nevenactiviteiten reeds leidt tot de conclusie dat ten onrechte voor het bouwplan vrijstelling op basis van artikel 15, eerste lid, van de WRO en bouwvergunning is verleend en het bouwplan uitsluitend kan worden vergund nadat vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO wordt verleend.

2.8. Ook hetgeen [appellanten] voor het overige heeft betoogd, behoeft, gelet op het bovenstaande, geen bespreking meer.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter had behoren te doen, zal de Afdeling eveneens het beroep tegen het besluit op bezwaar van 19 juli 2007, zoals gewijzigd bij besluit van 26 juli 2007, alsnog gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen.

2.10. Op 27 september 2007 heeft het college het besluit van 19 juli 2007, zoals gewijzigd bij besluit van 26 juli 2007, wederom gewijzigd in die zin dat vrijstelling en bouwvergunning aan [vergunninghouder] is verleend voor het bouwplan, zonder de daaraan verbonden voorwaarde dat indien inpassing van de longeerbak en mestopslag niet mogelijk blijkt, de betreffende bouwwerken zullen worden gesaneerd. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van [appellanten] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellanten], gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep eveneens gegrond en zal de Afdeling het besluit van 27 september 2007 vernietigen.

In verband met het vorenstaande dient het college een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.12. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 31 juli 2007 in zaak nr. 07/5405, zoals gerectificeerd bij uitspraak van gelijke datum en gelijk nummer, verzonden op 7 augustus 2007;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer van 19 juli 2007, kenmerk BR2005729;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer van 26 juli 2007, kenmerk BR2005729/17258;

VI. verklaart het beroep gegrond;

VII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer van 27 september 2007, kenmerk BR2005729;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.626,31(zegge: zestienhonderdzesentwintig euro en eenendertig cent), waarvan € 1.610,00 (zegge: zestienhonderdtien euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Zoetermeer aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat gemeente Zoetermeer aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Steinebach-de Wit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

328-552.