Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7628

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200705610/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college), de bezwaren van [appellant] tegen het besluit van 20 april 2004, waarbij het verzoek van [appellant] om handhavend optreden tegen het gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf in gebruikte stenen en dakpannen door [belanghebbende] is afgewezen, opnieuw ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705610/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/8068 van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 juni 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college), de bezwaren van [appellant] tegen het besluit van 20 april 2004, waarbij het verzoek van [appellant] om handhavend optreden tegen het gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf in gebruikte stenen en dakpannen door [belanghebbende] is afgewezen, opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2007, verzonden op 29 juni 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. drs. A.J. Fontijn, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Westerduin, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [belanghebbende] exploiteert sinds 1994 op het perceel een bedrijf dat gericht is op het opslaan en verkopen van gebruikte stenen en dakpannen, welke exploitatie in strijd was met het op dat moment geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied". Bij besluit van 27 mei 1994 heeft het college van de voormalige gemeente 's-Gravenzande (thans: de gemeente Westland) voor die activiteiten vrijstelling verleend.

2.2. Op grond van het thans geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch hulp- en nevenbedrijf".

Ingevolge artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften wordt onder een agrarisch nevenbedrijf verstaan een niet-industrieel bedrijf, dat is gericht op het leveren van dieren of goederen aan agrarische bedrijven, of dat gericht is op het verwerken, het opslaan of verhandelen van dieren of producten, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven.

Ingevolge artikel 1, onder 19, wordt onder een agrarisch hulp- of loonbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het leveren van, het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met hulp van agrarische werktuigen en apparatuur, of het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van agrarische werktuigen en of apparatuur.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

2.3. Gelet op artikel 1, onder 18 en 19, van de planvoorschriften is het opslaan en verhandelen van gebruikte stenen en dakpannen op het perceel eveneens in strijd met het thans geldende bestemmingsplan.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de door [belanghebbende] uitgevoerde activiteiten, vanwege het besluit tot vrijstellingverlening van 27 mei 1994, worden beschermd door het overgangsrecht, zodat het college bevoegd was handhavend op te treden. Daartoe voert hij aan dat het besluit van 27 mei 1994 ten tijde van het bestreden besluit van 25 augustus 2006 niet onherroepelijk was.

2.4.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 4 juli 2007 in zaak nr. 200700223/1 dient een belanghebbende indien hij niet door middel van kennisgeving of publicatie op de hoogte is gesteld van een op juiste wijze bekendgemaakt besluit, in beginsel binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt daartegen op te komen. De wettelijke termijn vangt niet opnieuw aan.

In het besluit van 20 april 2004, verzonden aan [appellant] op 13 mei 2004, is vermeld dat door het college van de voormalige gemeente 's-Gravenzande bij besluit van 27 mei 1994, verzonden op 31 mei 1994, aan [belanghebbende] een vrijstelling is verleend voor de uitoefening van het bedrijf in gebruikte stenen en dakpannen. Derhalve was [appellant] in ieder geval vanaf 13 mei 2004 van dat vrijstellingsbesluit op de hoogte. Tegen dit besluit heeft hij, evenals tegen het besluit van 20 april 2004, bij brief van

18 juni 2004 bezwaar gemaakt, zodat hij niet binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het vrijstellingsbesluit op de hoogte is geraakt daartegen is opgekomen. [appellant] had, anders dan hij stelt, moeten begrijpen dat de in het besluit van 20 april 2004 genoemde bezwaartermijn van zes weken slechts gold voor het besluit van 20 april 2004 en niet voor de in dat besluit vermelde vrijstellingsbesluit van 27 mei 1994. Gelet op het vorenstaande behoeft de vraag of het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] reeds sinds juni 2003 op de hoogte was van het vrijstellingsbesluit van 27 mei 1994 geen beantwoording meer.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het besluit tot vrijstellingverlening van 27 mei 1994 ten tijde van het in beroep bestreden besluit van 25 augustus 2006 onherroepelijk was. Gelet hierop worden de door [belanghebbende] op het perceel uitgevoerde activiteiten beschermd door het overgangsrecht als neergelegd in artikel 28, eerste lid, van de planvoorschriften. Het college was dan ook niet bevoegd handhavend op te treden. De rechtbank is terecht tot dit oordeel gekomen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

328-552.