Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7627

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200705490/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de structurele subsidie aan stichting Stichting agogisch Centrum Amstelstad (hierna: de stichting SaC) met ingang van 2005 beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705490/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Spirit, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/5482 van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2007 in het geding tussen:

de stichting Stichting agogisch Centrum Amstelstad, gevestigd te Amsterdam

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de structurele subsidie aan stichting Stichting agogisch Centrum Amstelstad (hierna: de stichting SaC) met ingang van 2005 beëindigd.

Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft het college het door de stichting SaC daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2007, verzonden op 25 juni 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door de stichting SaC daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 oktober 2005 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting Stichting Spirit (hierna: stichting Spirit), als rechtsopvolgster van de stichting SaC, bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2008, waar de stichting Spirit, vertegenwoordigd door mr. F. Spijker, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.P.C. van den Broek en J.K. Kuldipsingh, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het college de langdurige subsidierelatie met de stichting SaC met ingang van 1 januari 2005 beëindigd op de grond dat de gemeente moet bezuinigen en de subsidie voor de door de stichting SaC ontplooide activiteiten geen prioriteit meer heeft. Bij het besluit van 19 oktober 2005 heeft het college het daartegen door de stichting SaC gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen dat besluit gerichte beroep gegrond verklaard omdat de motivering van het besluit niet tijdig is aangevuld, zodat het besluit een deugdelijke motivering ontbeert. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het besluit evenwel in stand gelaten omdat het college naar haar oordeel op grond van de alsnog gestelde gewijzigde inzichten in redelijkheid heeft kunnen komen tot beëindiging van de subsidierelatie binnen de gestelde termijn.

2.2. De stichting Spirit betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen sprake is van veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.2.1. Het college mag een subsidie, die voor drie of meer achtereenvolgende jaren is verstrekt voor dezelfde voortdurende activiteiten, geheel of gedeeltelijk weigeren op de grond, dat gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, komt het college daarbij een ruime beleidsvrijheid toe. Het college heeft zich, zo blijkt onder meer uit de aan de stichting SaC toegezonden brief van 7 juni 2004, op het standpunt gesteld dat vanwege onvoldoende beschikbare middelen bezuinigingen met betrekking tot de subsidies noodzakelijk zijn en dat voor structurele subsidierelaties zal worden bezien of de activiteiten beleidsmatige prioriteit hebben. Het college heeft bij brief van 5 augustus 2004 een door de gemeenteraad geaccordeerd overzicht van de om te buigen structurele subsidies aan de stichting SaC doen toekomen, waarin is aangegeven dat de structurele subsidie aan haar geen beleidsmatige prioriteit heeft. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college aldus voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van gewijzigde inzichten die zich tegen voortzetting van de subsidierelatie verzetten.

Hiermee is de grondslag van de beslissing de subsidie binnen de gestelde termijn te beëindigen gegeven. Anders dan de stichting Spirit betoogt, is de grondslag voor de beëindiging van de subsidie gelegen in artikel 4:51 van de Awb en vorenbedoelde gewijzigde inzichten. Een nadere grondslag voor het besluit hier aan de orde is niet vereist, nu het geen weigering van een subsidieaanvraag behelst.

2.3. De stichting Spirit betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen redelijke termijn in acht heeft genomen bij het beëindigen van de subsidierelatie. Daartoe betoogt zij dat een overgangstermijn van drie maanden na een subsidierelatie van ruim twintig jaar niet redelijk is. Bovendien blijkt uit het besluit niet dat haar belangen zijn meegewogen, aldus de stichting Spirit.

2.3.1. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb dient ertoe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen. Het college heeft bij zijn besluit van 1 oktober 2004 medegedeeld dat de subsidierelatie op 1 januari 2005, derhalve op een termijn van drie maanden, wordt beëindigd. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft de stichting Spirit niet gesteld dat zij door de beëindiging van de subsidie binnen die termijn niet in staat is geweest om verplichtingen jegens derden zorgvuldig af te wikkelen en heeft zij ook niet betwist dat de subsidie slechts een gering deel uitmaakt van haar totale budget, zodat niet aannemelijk is dat haar voortbestaan, of dat van haar activiteiten door de beëindiging van de subsidierelatie binnen die termijn in gevaar komt. Zij heeft ook geen andere omstandigheden gesteld op grond waarvan tot het oordeel moet worden gekomen dat de gestelde termijn een onredelijke is. Dat de stichting SaC gedurende ongeveer twintig jaren de desbetreffende subsidie heeft ontvangen is, gelet op het doel van het stellen van de redelijke termijn, niet zo een omstandigheid. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de door het college gestelde termijn een onredelijke is, te minder nu het college de stichting SaC al eerder, bij brief van 5 augustus 2004, heeft geïnformeerd dat de gemeenteraad heeft besloten onder meer ten laste van de desbetreffende subsidie aan de stichting SaC de geplande bezuinigingen te realiseren.

Het betoog faalt.

2.4. Het betoog van stichting Spirit dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bij haar bestreden besluit in stand heeft gelaten, faalt evenzeer. Niet vereist is dat nog slechts één beslissing mogelijk is. Anders dan stichting Spirit betoogt, mocht de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten, nu de inhoud van dat besluit, gelet op het vorenoverwogene, de rechterlijke toets kon doorstaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

362.