Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7625

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200705065/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2003 (lees: 2004) heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) de aanvraag van [appellant] om vergoeding van in de woning aan de [locatie] te [plaats] aangebrachte geluidsisolerende voorzieningen deels toegewezen en deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705065/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/993 van de rechtbank Maastricht van 25 juni 2007 in het geding tussen:

[appellant],

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2003 (lees: 2004) heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) de aanvraag van [appellant] om vergoeding van in de woning aan de [locatie] te [plaats] aangebrachte geluidsisolerende voorzieningen deels toegewezen en deels afgewezen.

Bij besluit van 1 maart 2006 heeft de staatssecretaris het door [appellant] tegen de afwijzing gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover de staatssecretaris heeft verzuimd de kosten van de contra-expertise op de voet van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te vergoeden, het besluit van 1 maart 2006 in zoverre vernietigd, bepaald dat de door [appellant] in verband met de contra-expertise gemaakte kosten groot € 797,30 alsnog door de staatssecretaris aan hem zullen worden vergoed, bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van dat besluit en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak, in zoverre daarbij het hoger beroep ongegrond is verklaard, heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2007, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. C.E. Bos, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door L. Slabbers en M. Schipperen, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Volgens het artikel 17, eerste lid, van het Besluit tot wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht, alsmede vaststelling van de geluidszones (Interim-aanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Maastricht) kunnen eigenaren/bewoners die in de periode tussen 1 oktober 1998 en 12 mei 2000 in eigen beheer en voor eigen rekening geluidsisolerende voorzieningen hebben aangebracht aan hun woning, en die thans nog woonachtig zijn op dit adres, verzoeken om vergoeding van de gemaakte kosten.

Volgens het tweede lid dienen, om een vergoeding te ontvangen voor aangebrachte voorzieningen, de voorzieningen aantoonbaar tot doel te hebben de geluidsoverlast die wordt veroorzaakt door vliegbewegingen van en naar Maastricht Aachen Airport, terug te brengen tot aan de luchtvaartwet ontleende wettelijke norm voor geluidbelasting.

Volgens het derde lid dient ter onderbouwing van de deugdelijkheid van de voorzieningen waarvoor een vergoeding wordt gevraagd een akoestisch rapport overgelegd te worden waaruit blijkt dat met de voorzieningen een beginniveau wordt bereikt op het moment van het aanbrengen van voorzieningen.

2.2. De staatssecretaris heeft zich bij de afwijzing van het verzoek van [appellant] om vergoeding van een aantal door hem aangebrachte geluidwerende voorzieningen op het standpunt gesteld dat de aangebrachte voorzieningen onvoldoende geluidwerend zijn en om die reden niet voor subsidie in aanmerking kunnen komen. De staatssecretaris heeft zich daarbij gebaseerd op een rapport van onderzoekers in dienst van de besloten vennootschap Nibag B.V. (hierna: Nibag) van 10 oktober 2001.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank de berekeningen van Nibag van 25 juni 2004 niet bij haar oordeel mocht betrekken, nu deze door de staatssecretaris niet aan het besluit van 1 maart 2006 ten grondslag zijn gelegd.

2.3.1. De rechtbank heeft overwogen dat de motivering van het besluit van 1 maart 2006 onjuist is, omdat de staatssecretaris daarbij is uitgegaan van de berekeningen uit 2001, die geen betrekking hebben op de bestaande toestand. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat zij hierin aanleiding ziet het beroep ook op dit punt gegrond te verklaren en het bij haar bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb te vernietigen. De rechtbank heeft het besluit op dit punt evenwel niet vernietigd, maar, kennelijk met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, in stand gelaten. Daartoe heeft zij overwogen dat het aannemelijk is dat de berekeningen van Nibag van 25 juni 2004 betrekking hebben op de bestaande toestand en dat uit deze berekeningen volgt dat de slaapkamers niet aan de gestelde normen voor geluidwering voldoen. De technische kanttekeningen die namens [appellant] ter zitting bij die berekeningen zijn gemaakt, heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.

2.3.2. De rechtbank mocht het besluit van 1 maart 2006 echter in dit opzicht niet in stand laten, nu niet slechts sprake was van schending van een vormvoorschrift. De berekeningen van Nibag, neergelegd in het rapport van 1 oktober 2001, die de staatssecretaris aan dat besluit ten grondslag heeft gelegd waren immers onjuist. Weliswaar heeft de staatssecretaris in een later stadium berekeningen van 25 juni 2004 overgelegd die wel betrekking hadden op de bestaande situatie en heeft [appellant] deze eerst ter zitting van de rechtbank betwist, maar, nu die berekeningen door de staatssecretaris niet eerder dan bij verweerschrift in beroep zijn ingebracht, kon daarin geen aanleiding worden gevonden de betwisting daarvan door [appellant] buiten beschouwing te laten. Daarbij is van belang dat [appellant] de rechtbank naar aanleiding van het overleggen van die berekeningen heeft verzocht een deskundige in te schakelen en de rechtbank op dat verzoek niet heeft gereageerd en [appellant] ook niet heeft verzocht inhoudelijk op de berekeningen van 25 juni 2004 te reageren, al dan niet met gebruikmaking van een deskundige. Gelet op deze omstandigheden kon de rechtbank die berekeningen dan ook niet ten grondslag leggen aan de instandlating van het bij haar bestreden besluit. Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 1 maart 2006 van de staatssecretaris in zoverre alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking.

2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 juni 2007 in zaak nr. 06/993, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond heeft verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 1 maart 2006, kenmerk DLB 2006/2098;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

362.