Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200704767/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast een caravan en paardenboxen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704767/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 2006/572 van de rechtbank Utrecht van 29 mei 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Soest.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast een caravan en paardenboxen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 21 december 2005 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2007, verzonden op 30 mei 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. L.J.H. de Vink, en het college, vertegenwoordigd door G. Huttinga, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1994" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de agrarische bedrijfsvoering. Voor zover de gronden nader zijn aangeduid voor "woning", zoals dat ten aanzien van het perceel het geval is, is primair de regeling in artikel 22 van de planvoorschriften van toepassing.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften zijn de op de plankaart nader voor woning aangeduide gronden bestemd voor niet-gestapelde woningen, praktijkruimten, bijgebouwen, tuinen, erven en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Een en ander met dien verstande, dat de aanwezige landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden, zoals aangegeven op de natuur- en landschapskaart in acht worden genomen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd onder de voorwaarde dat per aanduiding op de plankaart het aantal woningen niet meer mag bedragen dan 1, tenzij op de plankaart anders is aangegeven.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het bestemmingsplan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een andere wijze of voor enig ander doel dan overeenkomstig de bestemming van de betrokken gronden en bouwwerken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, wordt ten aanzien van onbebouwde gronden onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan de plaatsing van toer- en stacaravans, woonwagens, tenthuisjes, tenten en soortgelijke verblijfsmiddelen, uitgezonderd het plaatsen van ten hoogste één tent of één kampeerwagen of één toercaravan op het erf of in de tuin bij een woning en het plaatsen van ten hoogste vijf kampeermiddelen in de bestemming agrarisch gebied met landschappelijke- en/of natuurwetenschappelijke waarden per agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, onder a, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van het plan bestond of in uitvoering was, dan wel is of kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend, en dat afwijkt van het in dit plan - behoudens in dit artikellid - bepaalde ten aanzien van de toelaatbaarheid van bebouwing, mits de bestaande afwijkingen ook naar hun aard niet worden vergroot en behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits dit geen algehele vernieuwing of verandering van het in de aanhef bedoelde bouwwerk tot gevolg heeft.

Ten aanzien van de caravan

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bevoegd is handhavend op te treden. Daartoe voert hij aan dat het stallen van de caravan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Bovendien acht het college het gebruik van het perceel ten behoeve van opslag toelaatbaar, aldus [appellant].

2.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het stallen van een caravan in strijd is met de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden".

2.2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.3. Weliswaar rust op het perceel een agrarische bestemming, maar het college acht het gebruik van het perceel ten behoeve van opslag toelaatbaar, zoals het ter zitting heeft bevestigd. Hieronder wordt ook begrepen het stallen van een caravan voor eigen gebruik elders, aldus het college. Voorts heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat de caravan ten tijde van het besluit van 21 december 2005 niet enkel op het perceel stond gestald, maar dat deze werd gebruikt ten behoeve van bewoning of als recreatief onderkomen, terwijl dit laatste blijkens de zitting in feite de belangrijkste reden was om tot handhaving over te gaan. Onder deze omstandigheden heeft het college in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht de handhaving van het besluit tot toepassing van bestuursdwang onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Het betoog slaagt.

Ten aanzien van de paardenboxen.

2.3. Vast staat dat voor de in geding zijnde paardenboxen een bouwvergunning is vereist, deze niet is verleend en het college derhalve bevoegd was terzake handhavend op te treden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisering bestaat. Voor de paardenboxen kan met toepassing van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften bouwvergunning worden verleend, aldus [appellant].

2.5.1. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 200704768/1 heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat voor de paardenboxen niet met toepassing van artikel 37, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften bouwvergunning kan worden verleend.

Gelet hierop, heeft het college eveneens onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat geen concreet zicht op legalisering van de paardenboxen bestaat. Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit van 21 december 2005 vernietigen.

2.7. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 mei 2007 in zaak nr. 2006/572;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 21 december 2005, kenmerk P&B/0/2005/14298;

V. gelast dat de gemeente Soest aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,00 (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

17-476.