Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7605

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200705890/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2002 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) geweigerd [appellant] een tegemoetkoming toe te kennen in de door zwarte kraaien veroorzaakte schade aan de witte (lees: en rode) kool op het bij [appellant] in gebruik zijnde perceel en hem een tegemoetkoming toegekend van € 3.339,00, 95% van de schade die roeken aan deze gewassen hebben aangericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705890/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2717 van de rechtbank Breda van 3 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van het Faunafonds.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2002 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) geweigerd [appellant] een tegemoetkoming toe te kennen in de door zwarte kraaien veroorzaakte schade aan de witte (lees: en rode) kool op het bij [appellant] in gebruik zijnde perceel en hem een tegemoetkoming toegekend van € 3.339,00, 95% van de schade die roeken aan deze gewassen hebben aangericht.

Bij uitspraak van 25 januari 2006 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) van 17 mei 2005, waarin het door [appellant] ingestelde beroep tegen de in bezwaar bevestigde weigering van het Faunafonds om aan [appellant] een tegemoetkoming in de geleden schade toe te kennen gegrond is verklaard, bevestigd.

Bij besluit van 7 april 2006 heeft het Faunafonds het door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en hem medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de schade die zwarte kraaien aan de gewassen hebben aangericht van € 7.790,00.

Bij uitspraak van 3 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 april 2006 vernietigd en het Faunafonds opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

Het Faunafonds heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 19 september 2007 heeft het Faunafonds opnieuw beslissend het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard en hem medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de geleden schade van in totaal € 19.552,67 en de vergoeding van de wettelijke rente.

Bij brief van 28 oktober 2007 heeft [appellant] een reactie op het besluit van 19 september 2007 ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door zijn [echtgenote], en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. drs. W. van Dijk en H.G. Engberink, werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw), is er een Faunafonds dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw verleent het Faunafonds een tegemoetkoming slechts voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. De tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (Stcrt. 2002, 69; hierna: de Regeling) kan het Faunafonds de grondgebruiker op zijn verzoek een tegemoetkoming verlenen in door beschermde inheemse diersoorten aan de landbouw aangerichte schade.

Ingevolge artikel 8, vijfde lid, van de Regeling bedraagt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 ten hoogste 95% van de door de taxateur vastgestelde schade.

2.2. [appellant] heeft op 15 juni 2002 het Faunafonds verzocht hem een tegemoetkoming te verlenen in de op 24 mei 2002 door hem geconstateerde schade die kraaien en roeken hebben veroorzaakt aan de rode (lees: en witte) kool op het [landgoed], gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Op 1 juli 2002 heeft een taxateur van het Faunafonds de gemelde schade bekeken en vastgesteld op € 11.713,60.

Het Faunafonds heeft voor de schade aan de rode en witte kool veroorzaakt door roeken aan [appellant] een bedrag van € 3.390,00, 95% van dit deel van de schade, toegekend.

2.3. In het besluit van 7 april 2006 heeft het Faunafonds het standpunt ingenomen dat [appellant] ook in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de schade aan de rode en witte kool door zwarte kraaien van € 7.790,00, 95% van dit deel van de schade. Het Faunafonds heeft zich daarbij gebaseerd op de gegevens uit een taxatierapport van 22 september 2002.

2.4. De rechtbank heeft in de uitspraak van 3 juli 2007 overwogen dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2006 tussen partijen vaststaat dat [appellant] geen preventieve maatregelen hoefde te nemen om de schade te voorkomen, dat hij, toen hij de schade constateerde, meteen de maatregelen heeft getroffen om de schade te beperken en dat het Faunafonds niet voorbij had mogen gaan aan de inhoudelijke kritiek van [appellant] op het door de taxateur ondertekende formulier "bevestiging taxatie akkerbouw voor grondgebruiker" van 1 juli 2002, dat aan het taxatierapport van 22 september 2002 ten grondslag is gelegd. De rechtbank heeft het besluit van 7 april 2006 vernietigd omdat het Faunafonds niet duidelijk heeft gemaakt en heeft kunnen maken hoe de bedragen tot stand zijn gekomen, waarop de bedragen zijn gebaseerd en in welke (beleids)regels deze zijn terug te vinden. Het Faunafonds dient bij de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming uit te gaan van de door [appellant] genoemde beschadigde oppervlakten en de opbrengsten, aldus de rechtbank.

2.4.1. [appellant] kan zich niet vinden in de overwegingen van de rechtbank voor zover zij niet is ingegaan op het feit dat het Faunafonds geen rekening heeft gehouden met het door hem ter zitting erkende gebruik dat uit een hectare rode kool voor de industrie ook 10.000 kilo rode kool voor de versmarkt wordt geoogst. Wat de vaststelling van de prijzen betreft heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat [appellant] bij de door hem overgelegde cijfers al de korting in verband met het niet maken van oogstkosten had toegepast. Voorts is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op het gestelde causale verband tussen de extra kosten die [appellant] stelt te hebben gemaakt. Ten slotte had de rechtbank niet zonder meer voorbij mogen gaan aan het verzoek van [appellant] om vergoeding van de wettelijke rente over de tegemoetkoming en verzoekt hij om een vergoeding van de door hem gemaakte kosten.

2.4.2. Voor zover [appellant] opkomt tegen de overweging van de rechtbank dat van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen niet is gebleken, is de Afdeling van oordeel dat hij niet heeft aangetoond dat deze overweging van de rechtbank onjuist is. Zij betrekt daarbij dat [appellant] in de bezwaarfase niet om vergoeding van de gemaakte kosten heeft verzocht. Voorts heeft hij ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij bij de rechtbank geen stukken heeft overgelegd waar de voor de proceskostenveroordeling benodigde gegevens ter bepaling van de hoogte van zijn gemaakte kosten uit hadden kunnen worden afgeleid.

Voor zover de rechtbank niet uitdrukkelijk in de overwegingen is ingegaan op de door [appellant] genoemde punten, ziet de Afdeling daarin geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen nu vanwege de vernietiging van het besluit van 7 april 2006 door het Faunafonds een nieuw besluit op bezwaar diende te worden genomen, waartegen voor [appellant] opnieuw rechtsmiddelen zouden openstaan.

2.4.3. Het hoger beroep is ongegrond.

2.5. Bij besluit van 19 september 2007 heeft het Faunafonds, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet volledig aan de bezwaren van [appellant] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellant], gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.6. In het besluit van 19 september 2007 heeft het Faunafonds zich op het standpunt gesteld dat [appellant] in aanmerking komt voor een tegemoetkoming voor de schade aan rode en witte kool door zwarte kraaien (lees: en roeken) van in totaal € 19.552,67, 95% van de schade van € 20.581,76. Het Faunafonds is daarbij uitgegaan van de door [appellant] in zijn brief van 22 juli 2002 verstrekte gegevens over de omvang van de beschadigde oppervlakte en de door hem opgegeven prijs van de rode en witte kool. Bij de gehanteerde prijs is het Faunafonds er tevens van uitgegaan dat [appellant] de niet gemaakte oogst- en verwerkingskosten al van de prijs had afgetrokken. De door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheden vormen geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de gebruikelijke vermindering van de tegemoetkoming met 5% niet zou moeten worden toegepast. [appellant] heeft, aldus het Faunafonds, recht op de vergoeding van de wettelijke rente voor een bedrag van € 3.730,27.

2.6.1. [appellant] heeft hiertegen aangevoerd dat het Faunafonds bij de berekening weliswaar uitgaat van een totaal oppervlak van 1,6 hectare voor de rode kool, maar daarin zonder nadere motivering een onderverdeling maakt van 20% rode kool voor de versmarkt en 80% voor de industrie. Hij stelt dat het zowel bij de rode kool voor de industrie als die voor de versmarkt gaat om een oppervlak van 0,8 hectare, en komt op een totaal bedrag van € 29.793,60 uit. Over de door hem gestelde schade met betrekking tot uit de sortering groeien en extra onkruidbestrijding heeft het Faunafonds ten onrechte geen standpunt ingenomen. Ten slotte moet, aldus [appellant], de wettelijke rente over een hoger bedrag en een langere periode worden betaald en had het Faunafonds een onkostenvergoeding moeten geven voor de gemaakte kosten.

2.6.2. Het Faunafonds is, zo heeft de gemachtigde ter zitting in hoger beroep bevestigd, bij de berekening van de schade aan de rode kool uitgegaan van de in het taxatierapport van 22 september 2002 genoemde percentages van 20% rode kool voor de versmarkt en 80% voor de industrie. Deze percentages zijn door [appellant] van aanvang af bestreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 25 januari 2006, had het Faunafonds aan deze bestrijding niet zonder meer voorbij mogen gaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het Faunafonds de gehanteerde percentages in het besluit van 19 september 2007 onvoldoende onderbouwd. Het besluit van 19 september 2007 komt wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.6.3. Het beroep is gegrond. Het besluit van 17 september 2007 dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet om proceseconomische redenen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op navolgende wijze zelf in de zaak te voorzien.

2.6.4. Niet in geschil is dat door het tijdsverloop niet meer kan worden vastgesteld hoeveel versmarkt rode kool en hoeveel rode kool voor de industrie door de zwarte kraaien en roeken is beschadigd. De onmogelijkheid om de hoeveelheden rode kool alsnog vast te stellen, komt onder deze omstandigheid voor rekening van het Faunafonds. De Afdeling zal bij de vaststelling van de schade uitgaan van de door [appellant] overgelegde gegevens met betrekking tot de hoeveelheden versmarkt en industrie rode kool die door de zwarte kraaien en roeken zijn aangetast. Op dat totaalbedrag zal de Afdeling, gelet op artikel 8, vijfde lid, van de Regeling en het beleid van het Faunafonds, dat slechts in uitzonderlijke gevallen een tegemoetkoming van 100% van de schade wordt verstrekt, 5% in mindering brengen. Dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit beleid rechtvaardigen, heeft [appellant] pas ter zitting in hoger beroep aangevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen reden waarom hij dat niet eerder had kunnen doen en dient deze grond buiten beschouwing te worden gelaten.

De door [appellant] gestelde schade met betrekking tot het uit de sortering groeien van de kolen en de extra onkruidbestrijding komt naar het oordeel van de Afdeling niet in aanmerking voor gedeeltelijke of gehele vergoeding. Het standpunt van het Faunafonds dat alleen de schade die door inheemse dieren aan de gewassen zelf is aangericht voor een tegemoetkoming daarvan in aanmerking komt en dat het uit de sortering groeien en de extra onkruidbestrijding daartoe niet behoren, acht de Afdeling niet onredelijk.

Nu [appellant], anders dan waar in het besluit van 19 september 2007 van is uitgegaan, de tegemoetkoming van de schade genoemd in dat besluit niet op 1 oktober 2007 maar op 23 november 2007 heeft ontvangen, dient het Faunafonds de wettelijke rente over dat bedrag te betalen tot die dag. Het Faunafonds dient eveneens over het meerdere de wettelijke rente te vergoeden tot de dag van ontvangst.

Het Faunafonds behoefde geen vergoeding in de kosten toe te kennen, reeds omdat daarom in de bezwaarfase door [appellant] niet is verzocht.

2.7. Het Faunafonds dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het verzoek van [appellant] om vergoeding van de door zijn echtgenote aan de zaak bestede tijd, is de Afdeling van oordeel dat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen nu niet is gebleken dat zij als beroepsmatig rechtsbijstandverlener, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, kan worden beschouwd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant] ongegrond;

II. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 17 september 2007 gegrond;

III. vernietigt het besluit van 19 september 2007;

IV. bepaalt dat het bestuur van het Faunafonds aan [appellant] een tegemoetkoming in de geleden schade toekent van € 28.303,92 (zegge: achtentwintigduizend driehonderddrie euro en tweeënnegentig cent), dat is 95% van de schade van € 29.793,60 (zegge: negenentwintigduizend zevenhonderddrieënnegentig euro en zestig cent) die door zwarte kraaien en roeken is aangericht aan witte en rode kool op zijn perceel, vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag van ontvangst;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 september 2007;

VI. veroordeelt het Faunafonds tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 35,84 (zegge: vijfendertig euro en vierentachtig cent); het dient door het Faunafonds aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat het Faunafonds aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

290.