Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200706879/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [appellante] een boete van € 47.500 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706879/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/544 van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [appellante] een boete van € 47.500 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 8 januari 2007 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 augustus 2007, verzonden op 3 september 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.M.W. Huitink, advocaat te 's-Gravenhage, vergezeld door [vennoot A], en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: de WID), van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge het tweede lid stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt hij het afschrift op in de administratie.

Ingevolge artikel 18 wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens beleidsregel 1 van de beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens beleidsregel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000 en voor overtreding van artikel 15, tweede lid, op € 1.500 gesteld, per persoon, per beboetbaar feit.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris op goede gronden heeft vastgesteld dat de vijf vreemdelingen voor wie geen tewerkstellingsvergunningen zijn aangevraagd, arbeid hebben verricht in de uitoefening van het bedrijf van [appellante]. Hiertoe voert zij aan dat zij een deelteeltovereenkomst heeft gesloten met [naam] van loonagrarisch bedrijf Ceto (hierna: Ceto). Uit deze overeenkomst blijkt volgens [appellante] dat zij slechts de bollen zou leveren en dat [naam] de teelt voor zijn rekening zou nemen. Naar zij stelt oefende zij derhalve het bedrijf aan de [locatie] te [plaats] niet uit. Zij is slechts als administratieve contractspartij opgetreden en heeft de vreemdelingen dan ook feitelijk geen arbeid laten verrichten. Zij was niet verantwoordelijk voor de aanwezige personeelsleden en had op de feitelijke werkzaamheden ook geen invloed, zodat zij niet als werkgever kon worden aangemerkt, aldus [appellante].

2.2.1. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Kamerstukken II 1993/94 23 574, nr. 5, blz. 2).

2.2.2. Uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken blijkt dat de bedrijfsomschrijving van [appellante] bloemen- en groentenkwekerij is. Het deelteeltcontract is gesloten met het oog op de productie van lelies. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft [appellante] het perceel met de kas, waarin de werkzaamheden hebben plaatsgevonden van een derde gehuurd en blijkt uit de deelteeltovereenkomst met [naam] dat [appellante] de bollen en de kas zou leveren, zij verantwoordelijk was voor de teelt en haar tweederde van de winst toekomt. De rechtbank heeft op grond hiervan terecht overwogen dat de staatssecretaris op goede gronden heeft vastgesteld dat de vijf vreemdelingen arbeid hebben verricht in de uitoefening van het bedrijf van [appellante]. Hetgeen [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd biedt geen grond voor een ander oordeel, omdat de hiervoor vermelde omstandigheden geen steun bieden voor het oordeel dat [appellante], zoals zij betoogt, slechts een administratieve rol vervulde die buiten het ruime werkgeversbegrip van de Wav zou vallen. Daarbij is van belang dat [appellante] ter zitting heeft toegelicht dat zij controle uitvoerde op de teelt, om toe te zien op de kwaliteit van de te veilen bloemen. De opbrengst van die bloemen, en derhalve de winst van [appellante] zijn hiervan afhankelijk.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is [appellante] als werkgever in de zin van de Wav aan te merken.

Het betoog faalt.

2.3. Ook het betoog dat [appellante] niet kan worden beboet voor dezelfde overtreding waarvoor Ceto is beboet, faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2007 in zaak nr. 200606955/1) kunnen ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, verschillende werkgevers dezelfde vreemdeling arbeid laten verrichten en kan aan elk van hen, ingevolge artikel 2, in samenhang met de artikelen 18 en 19a, eerste lid, van de Wav, een boete worden opgelegd, indien geen van hen over een tewerkstellingsvergunning beschikt. Dat zowel aan Ceto als aan [appellante] een boete is opgelegd, laat die mogelijkheid onverlet. Voor zover [appellante] betoogt dat dit in strijd is met het 'ne bis in idem' beginsel, faalt dit betoog reeds omdat dit beginsel niet op twee verschillende overtreders betrekking heeft.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

32-532.