Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200703783/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2006 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van de Verordening (EEG) 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) in samenhang met de Wet milieubeheer.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2008/24 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

200703783/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2006 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van de Verordening (EEG) 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) in samenhang met de Wet milieubeheer.

Bij besluit van 19 april 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2007.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.L.J. Leijendekker, advocaat te Wijk bij Duurstede, en [directeur] van [appellante], en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup, ambtenaar werkzaam bij het ministerie, en mr. drs. M.E. Oderkerk en C.G.A. Velthoen, werkzaam bij de VROM-inspectie Regio Noord-West, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft de minister het primaire besluit van 17 augustus 2006 gehandhaafd. Aan de bij dat besluit opgelegde last onder dwangsom, die er toe strekt dat [appellante] zich dient te onthouden van verdere overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Verordening in samenhang met artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is ten grondslag gelegd dat [appellante], zonder dat daartoe een kennisgeving was gedaan, doende was een mengsel van metalen over te brengen naar China. Volgens de minister heeft [appellante] daarmee in strijd gehandeld met artikel 26, eerste lid, van de Verordening in samenhang met artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Aan het standpunt dat voor de overbrenging een kennisgeving is vereist, is ten grondslag gelegd dat de desbetreffende afvalstoffen niet kunnen worden aangemerkt als stoffen die vallen onder bijlage II van de Verordening (de zogenaamde groene lijst) nu het desbetreffende mengsel van metalen, bestaande uit kobalt, ijzer en nikkel, niet als zodanig in bijlage II van de Verordening (de zogenaamde groene lijst) is genoemd. Volgens de minister valt het mengsel onder code AA 070 - assen en residuen die metalen of metaalverbindingen bevatten die niet elders zijn vermeld of ingedeeld - van bijlage III van de Verordening (de zogenaamde oranje lijst). Subsidiair is gesteld dat dit mengsel voldoet aan de definitie van een poeder van onedel metaal en derhalve geen afvalstoffen betreft in een zich niet verspreidende vorm, zodat het niet valt onder bijlage II van de Verordening.

2.2. Ingevolge artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Verordening.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, wordt als sluikhandel beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen die geschiedt zonder kennisgeving aan, of toestemming van, de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening.

Ingevolge artikel 17, achtste lid, van de Verordening is, indien voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die in de bijlagen III en IV worden genoemd en voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV zijn opgenomen worden uitgevoerd naar en via landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, artikel 15, uitgezonderd lid 3, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15 van de Verordening regelt een kennisgevingsprocedure.

2.3. Vast staat dat [appellante] doende was afvalstoffen ter nuttige toepassing over te brengen naar China zonder daartoe een kennisgeving te hebben gedaan.

2.4. [appellante] betoogt dat de desbetreffende afvalstoffen vallen onder de codes GA 430 en GA 220 van bijlage II van de Verordening zodat geen kennisgeving was vereist. Hiertoe voert zij aan dat de stoffen niet vallen onder code AA 070 van bijlage III van de Verordening, omdat het hier geen assen of residuen betreft. Voorts voert zij aan dat - anders dan de minister stelt - niet kan worden gesproken van poedervorm van de afvalstoffen, maar dat het gaat om 'klonten van metaal'. Zonder enig menselijk ingrijpen is van de afvalstoffen geen poeder dan wel droge stof te verkrijgen, aldus [appellante]. Volgens haar wordt ook niet aan de definitie van poeder van onedel metaal voldaan. Verder voert [appellante] aan dat zij heeft mogen afgaan op de waardering die het Sloveense bedrijf, waarvan zij de afvalstoffen heeft gekocht, geeft aan de stoffen.

2.5. Vast staat dat de over te brengen afvalstoffen een mengsel van metalen, te weten kobalt, ijzer en nikkel, betreft. Dit mengsel staat niet in bijlage II van de Verordening genoemd. Anders dan [appellante] betoogt kunnen de afvalstoffen niet onder de codes GA 430 - restanten van ijzer of staal - of GA 220 - afval en restanten van kobalt - van bijlage II van de Verordening vallen, nu de afvalstoffen niet uitsluitend ijzer of kobalt bevatten. Bovendien zij opgemerkt dat uit de Verordening (EG) 1547/1999 van de Commissie van 12 juli 1999, zoals die luidde ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom, bezien in samenhang met artikel 17, eerste lid, van de Verordening, volgt dat een kennisgeving was vereist voor de overbrenging naar China van afvalstoffen die vallen onder code GA 220, zodat het betoog dat geen kennisgeving zou zijn vereist in zoverre reeds faalt. Verder staat vast dat het mengsel evenmin in bijlage IV van de Verordening is opgenomen. Nog daargelaten de juistheid van het standpunt van de minister dat de afvalstoffen vallen onder code AA 070 van bijlage III van de Verordening, volgt uit artikel 17, achtste lid, van de Verordening derhalve dat voor de overbrenging van de afvalstoffen ter nuttige toepassing naar China een kennisgeving was vereist. De vraag of de desbetreffende afvalstoffen al dan niet als een poeder moeten worden aangemerkt is daarom verder niet van belang. Aan de bespreking daarvan wordt derhalve niet toegekomen.

De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Verordening in samenhang met artikel 10.60 van de Wet milieubeheer, zodat de minister ter zake handhavend kon optreden. Het beroep faalt in zoverre.

2.6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. In hetgeen [appellante] aanvoert bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan van de minister kon worden gevergd om af te zien van handhavend optreden. Het beroep faalt in zoverre.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, mr. J.G.C. Wiebenga en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

373.