Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200704038/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het houden en fokken van rundvee, alsmede het opslaan van veevoeders, vaste mest en drijfmest aan de [locaties] te [plaats]. Dit besluit is op 28 mei 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/409
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/2633

Uitspraak

200704038/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het houden en fokken van rundvee, alsmede het opslaan van veevoeders, vaste mest en drijfmest aan de [locaties] te [plaats]. Dit besluit is op 28 mei 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen gezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2008, waar het college, vertegenwoordigd door J.B.J.M. Merkx, werkzaam bij de Regionale Milieudienst te Roosendaal, en mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] voert aan dat het college het geluidonderzoek van 24 april 2006, opgesteld door de Regionale Milieudienst West-Brabant, ten onrechte niet met het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegd. Dit is in strijd is met artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aldus [appellant].

2.1.1. Het college stelt dat, nu dit voor een inrichting als hier aan de orde op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer niet verplicht is, geen akoestisch rapport bij de aanvraag is overgelegd. Op basis van de in de aanvraag verstrekte gegevens is een geluidberekening uitgevoerd om te beoordelen of aan de gestelde geluidnormen kan worden voldaan. De resultaten van deze berekening zijn in het ontwerpbesluit uitvoerig weergegeven. Het ter inzage leggen van de computerberekening die aan de resultaten ten grondslag ligt heeft het college niet nodig geacht. Deze berekening is op verzoek beschikbaar gesteld, aldus het college.

2.1.2. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.1.3. Aan de hand van de gegevens uit de aanvraag is de geluidbelasting, die optreedt door het in werking zijn van de inrichting, onderzocht. De uitkomsten van dit onderzoek zijn door middel van tabellen weergegeven in het ontwerpbesluit. Het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen en daarmee dus ook de uitkomsten van het onderzoek. Hiermee is naar het oordeel van de Afdeling voldoende inzicht gegeven in het uitgevoerde onderzoek. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de computerberekening die hieraan ten grondslag ligt redelijkerwijs niet nodig is ter beoordeling van het ontwerpbesluit. De grond faalt.

2.2. Bij het bestreden besluit is een vergunning verleend voor onder meer het houden van 25 zoogkoeien, 54 stuks vrouwelijk jongvee en 5 fokstieren op de locatie aan [locatie 1]. Voor deze locatie is bij besluit van 30 november 1976 eerder een vergunning verleend voor het houden van 40 zoogkoeien en 49 stuks vrouwelijk jongvee.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellant] stelt dat het onzeker is of de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn, nu niet duidelijk is of het college bij het geluidonderzoek rekening heeft gehouden met alle relevante geluidbronnen, waaronder het dagelijks uitmesten van de stallen met een shovel en het gebruik van de silo's.

Uit de in het bestreden besluit weergegeven tabellen volgt dat de in de vergunningvoorschriften opgenomen geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. Ter zitting heeft het college verklaard dat alle relevante geluidbronnen in de berekening van de geluidbelasting zijn meegenomen. De Afdeling ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. De grond faalt.

2.5. [appellant] voert aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verplaatsing van de mestopslag die is gelegen op de [locatie 1] niet mogelijk is. Voorts betoogt hij dat onvoldoende voorschriften aan de vergunning zijn verbonden om onaanvaardbare stankoverlast die wordt veroorzaakt door de mestopslag te voorkomen.

Verder voert hij aan dat er ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning is verbonden over de duur van het mengen van drijfmest, waardoor deze activiteit niet handhaafbaar is. Tot slot stelt hij dat gedurende het mengen van drijfmest ramen en deuren van de stal zijn geopend, zodat het college hieromtrent onvoldoende voorschriften aan de vergunning heeft verbonden.

2.5.1. Bij besluit van 24 februari 1988 is voor [locatie 1] een vergunning verleend voor de opslag van mest, zodat vergunninghouder ten aanzien van de mestopslag op deze locatie beschikt over bestaande rechten. Voorts is de mestopslag op deze plaats binnen de inrichting aangevraagd en beslist het college op de grondslag van de aanvraag. Verder is aannemelijk geworden dat de mestopslag op [locatie 1] niet op een andere plek kan worden gesitueerd. Tot slot heeft het college de voorschriften 4.3.1 en 4.3.4 - waarin onderscheidenlijk is bepaald dat vaste mest op een mestdichte mestplaats moet worden opgeslagen en de mest op [locatie 1] minimaal één keer per twee weken uit de inrichting moet worden afgevoerd - aan de vergunning verbonden. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende voorschriften aan de vergunning zijn verbonden ter voorkoming dan wel beperking van onaanvaardbare stankoverlast.

Uit de aanvraag blijkt dat het mengen van drijfmest voor [locatie 1] twee keer per jaar voor de duur van vijf uur is aangevraagd. Voorts is niet aannemelijk geworden dat tijdens deze activiteit deuren en ramen zijn geopend. Nu de aanvraag onderdeel uitmaakt van de vergunning heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is voorschriften omtrent de duur van het mengen van drijfmest aan de vergunning te verbinden. Voor zover [appellant] vreest dat het mengen van drijfmest meer tijd in beslag zal nemen is dit een kwestie van handhaving. Deze grond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. De grond faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat onduidelijk is waarom ten aanzien van de restanten van kuilvoer in vergunningvoorschrift 4.5.1 een apart voorschrift ter voorkoming van stankhinder is opgenomen, nu er - ongeacht of het een restant betreft - geen stankoverlast mag plaatsvinden. Verder voert hij aan dat dit voorschrift onduidelijk en niet handhaafbaar is.

2.6.1. Het college heeft voorschrift 4.5.1 - waarin is bepaald dat restanten van het kuilvoer en/of natte bijproducten direct op een zodanige wijze moeten worden opgeslagen dat er geen geuroverlast kan plaatsvinden - aan de vergunning verbonden om eventuele stankoverlast afkomstig van restanten van kuilvoer en natte bijproducten te voorkomen dan wel te beperken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit voorschrift niet duidelijk en niet handhaafbaar is. De grond faalt.

2.7. [appellant] stelt dat onduidelijk is hoeveel silo's zijn vergund. Uit de aanvraag om vergunning blijkt dat voor [locatie 1] twee silo's zijn aangevraagd, terwijl op de bij de aanvraag behorende tekening voor deze locatie drie silo's zijn weergegeven. Verder stelt hij dat vergunningvoorschrift 4.4.2 niet voldoende is om onaanvaardbare stofhinder te voorkomen.

2.7.1. Uit de bij het bestreden besluit behorende aanvraag blijkt dat er voor [locatie 1] twee silo's zijn aangevraagd met een totale capaciteit van 46 ton. Op de bij het bestreden besluit behorende tekening zijn drie silo's aangegeven met een totale capaciteit van 46 ton. Uit het verweerschrift volgt dat is beoogd om conform de tekening drie silo's aan te vragen en te vergunnen. Dit is naar het oordeel van de Afdeling de correcte lezing van de aanvraag. De grond faalt.

Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 4.4.2 - waarin is bepaald dat hinderlijke stofverspreiding bij het vullen van de silo's moet worden voorkomen door het opvangen van het via de ontluchting ontwijkende stof - onvoldoende is ter voorkoming van onaanvaardbare stofhinder tijdens het vullen van de silo's. Voor zover [appellant] vreest dat dit voorschrift niet zal worden nageleefd is dit een kwestie van handhaving. Deze grond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. De grond faalt.

2.8. Voor zover [appellant] betoogt dat het college ten onrechte geen biowassers heeft voorgeschreven, overweegt de Afdeling dat het college beslist op de grondslag van de aanvraag en biowassers daarin niet zijn aangevraagd. De grond faalt.

2.9. [appellant] is beducht voor onaanvaardbare stankhinder. Hiertoe voert hij aan dat de vergunde activiteiten op [locatie 1] reeds een overbelaste situatie veroorzaken. De bij het bestreden besluit verleende vergunning zal ondanks een afname van het totaal aantal dieren op [locatie 1] een verslechtering voor de geurbelasting opleveren, aldus [appellant].

2.9.1. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de richtlijn) gehanteerd. Voor zover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft hij toepassing gegeven aan de brochure "Veehouderij en Hinderwet" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de brochure).

2.9.2. Het college stelt zich op het standpunt dat er wat betreft stank geen verslechtering optreedt, nu het totaal aantal dieren op [locatie 1] ten opzichte van de vergunde situatie zal afnemen.

2.9.3. Vast staat dat in het onderhavige geval ten aanzien van [locatie 1] niet wordt voldaan aan de op grond van de richtlijn in samenhang met de brochure minimaal in acht te nemen afstand. Als gevolg hiervan is sprake van een uit het oogpunt van stankhinder overbelaste situatie.

De Afdeling overweegt dat bij veehouderijen de bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover van belang voor de te veroorzaken stankhinder, slechts kunnen worden gerelateerd aan een aantal mestvarkeneenheden, voor zover het vergunde veebestand kan worden omgerekend naar mestvarkeneenheden. Voor zover geen omrekeningsfactoren beschikbaar zijn - zoals het geval is bij vrouwelijk jongvee en fokstieren - kunnen bestaande rechten niet worden gerelateerd aan een aantal mestvarkeneenheden en dient te worden uitgegaan van het aantal vergunde dieren van die soort.

2.9.4. Aan de onderliggende vergunning voor [locatie 1] kunnen rechten worden ontleend voor het houden van 40 zoogkoeien en 49 stuks vrouwelijk jongvee. Ingevolge het bestreden besluit zal het aantal te houden stuks zoogkoeien afnemen met 15 stuks ten opzichte van de eerder vergunde situatie, maar het aantal te houden stuks vrouwelijk jonvee en het aantal fokstieren wordt uitgebreid met ieder 5 stuks. Nu vergunninghouder daarvoor geen rechten kan ontlenen aan de onderliggende vergunning, treedt wat de van de inrichting te duchten stankhinder betreft een verslechtering op ten opzichte van de reeds overbelaste situatie waarop de onderliggende vergunning betrekking heeft. Gelet hierop berust het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. De grond slaagt.

2.10. [appellant] heeft zich in het beroepschrift wat de gronden over het schoonspuiten van de veewagens, het gebruik van de sleufsilo's, de bestemming van de af te voeren mest, het ontbreken van gegevens over het vrijkomen van afvalstoffen en de opslag van dieselolie, gras en geelzand betreft, beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellant] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. De gronden falen.

2.11. Het beroep is gegrond. Nu het stankaspect bepalend is voor de vraag of vergunning kan worden verleend, dient het besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van 2 mei 2007, kenmerk RO5V6172;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Roosendaal aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Roosendaal aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

373-517.