Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7590

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200705722/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het vergroten van een woning aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente Wassenaar, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705722/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/4029 en 07/4030 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juli 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het vergroten van een woning aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente Wassenaar, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2008, waar [namen 2 appellanten], bijgestaan door mr. F.N. Grooss en mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland, beiden advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. de Heij, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. A. Vinkenborg, gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Villawijken" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "eengezinshuizen, één onder een kap". [appellanten] betogen dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het bouwplan hiermee niet in strijd is, heeft miskend dat bij realisering van het bouwplan de volgens het bestemmingsplan maximaal toegestane goothoogte en de minimumafstand van de woning tot de zijdelingse terreinscheidingen worden overschreden.

2.1.1. [appellanten] voeren in verband met de goothoogte aan dat het bouwplan is voorzien op een van nature egaal terrein, waarbij op kunstmatige wijze een grondophoping is aangebracht vóór de voorgevel. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat het maaiveld zich niet ter hoogte van de bovenkant van die grondophoping bevindt, maar ter hoogte van de onderkant daarvan, waardoor in strijd met de planvoorschriften bij realisering van het bouwplan een goothoogte van meer dan 9 meter zal ontstaan, aldus [appellanten].

2.1.1.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 1, onder a, van de planvoorschriften wordt bij de toepassing van deze voorschriften de goothoogte van gebouwen gemeten van het maaiveld tot de bovenkant van de goot (in casu de snijlijn van het laagste punt van het dakvlak met het daaronder gelegen buitenwerkse gevelvlak) met dien verstande dat, indien het terrein voor en achter het gebouw niet even hoog ligt, de goothoogte wordt gemeten aan de voorgevel.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 1, onder b, wordt onder maaiveld verstaan de bovenkant van het aanliggende afgewerkte terrein zoals deze hoogte bij het verlenen van de bouwvergunning vanwege het college ter plaatse zal worden aangewezen.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met de op de kaart in de bij dit artikel behorende en als zodanig gekenmerkte tabel voorgeschreven maten, is voor de eengezinshuizen op de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "eengezinshuizen, één onder een kap" een maximale goothoogte van 6,5 meter toegestaan.

2.1.1.2. Het betoog slaagt niet. Het terrein voor en achter de te realiseren woning ligt niet even hoog, zodat ingevolge artikel 2, aanhef en onder 1, onder a, van de planvoorschriften de goothoogte gemeten wordt aan de voorgevel. De "ophoging" waar [appellanten] op doelen is geen onderdeel van het thans voorliggende bouwplan, maar was reeds aanwezig bij de voorgevel van de oorspronkelijke woning, ter vervanging waarvan dit bouwplan dient. De voorzieningenrechter is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het betoog van [appellanten] dat de goothoogte op onjuiste wijze is gemeten, niet kan worden gevolgd.

2.1.2. In verband met de minimumafstand van de woning tot de zijdelingse perceelsgrenzen voeren [appellanten] aan dat het bouwplan over een diepte van 5,6 m een totale afstand tot de zijdelingse terreinscheidingen heeft van 19,2 m en niet van minimaal 20, zoals het bestemmingsplan voorschrijft. Zij betogen dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat deze grond eerst in beroep en derhalve te laat is aangevoerd, heeft miskend dat dit een nadere onderbouwing is van hun reeds in bezwaar aangevoerde betoog dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.1.2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 8, van de planvoorschriften verstaan deze voorschriften onder "bestaand bouwwerk of gebouw" een bouwwerk of gebouw dat op de dag van tervisielegging van het ontwerp van het plan bestond of in aanbouw was, dan wel kon worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, aangevraagd voor het ter inzage leggen van het ontwerp van het plan.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met de op de kaart in de bij dit artikel behorende en als zodanig gekenmerkte tabel voorgeschreven maten, van de planvoorschriften dient, voor zover thans van belang, voor de eengezinshuizen op de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "eengezinshuizen, één onder een kap" de afstand tot de zijdelingse terreinscheiding per woning minimaal 5 m per zijde en minimaal 20 meter in totaal te zijn.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, mag, indien van een bestaand gebouw de afstand van de zijgevel tot de zijdelingse terreinscheiding niet voldoet aan de minima die zijn voorgeschreven in de sub a genoemde tabel, uitbreiding van dat gebouw plaatsvinden door doortrekking van die zijgevel, mits de overschrijding daardoor niet vermeerdert en met dien verstande dat de maximum bouwdiepte van het gebouw tengevolge van die uitbreiding 15 meter bedraagt, indien de afstand tot de zijdelingse terreinscheiding minder dan de helft van het voorgeschreven minimum bedraagt, en 20 meter, indien die afstand de helft of meer van het voorgeschreven minimum bedraagt.

2.1.2.2. Het betoog slaagt, reeds omdat geen rechtsregel verbiedt dat, binnen de door artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van dat besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in bezwaar naar voren zijn gebracht. De Afdeling zal, gelet hierop, de desbetreffende beroepsgrond alsnog beoordelen, nu de voorzieningenrechter daaraan niet is toegekomen.

2.1.2.3. Niet in geschil is dat de afstand van de te realiseren woning tot de zijdelingse terreinscheiding over de gehele lengte van 5,6 m van een aanbouw in totaal 19,2 m bedraagt. Dit is in strijd met artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Ter zitting heeft het college bevestigd dat de desbetreffende aanbouw ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan niet aanwezig was, doch veel later is opgericht. De aanbouw valt derhalve niet binnen de definitie van "bestaand" als vervat in artikel 1, aanhef en onder 8, van de planvoorschriften, zodat artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, in dit geval niet van toepassing is. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

2.1.3. [appellanten] betogen tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. De tekening behorende bij de bouwvergunning van 28 november 2006 is voorzien van een stempel voor akkoord van de commissie Welstand en Cultureel Erfgoed van diezelfde datum, waarbij is aangetekend dat dit conform het advies van die commissie van 27 november 2006 is. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat [appellanten] tegenover dit advies slechts hun eigen oordeel hebben gesteld en dat niet is gebleken dat het welstandadvies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, zodat het college zich op dit advies heeft mogen baseren.

2.1.4. Het betoog van [appellanten] dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het op 26 mei 2006 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan "Derde partiële herziening Villawijken beschermd stadsgezicht", zodat de aanvraag voor het bouwplan ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet had moeten worden aangehouden, slaagt evenmin. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat dit ontwerpbestemmingsplan niet ziet op het perceel. Voorts is de vraag naar een aanhoudingsplicht niet aan de orde, nu het bouwplan, zoals onder 2.1.2.3 is overwogen, in strijd is met het bestemmingsplan.

2.2. Ten slotte betogen [appellanten] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college geen bouwvergunning had mogen verlenen dan wel dat deze is vervallen, omdat, anders dan in de bouwaanvraag is vermeld, geen sprake is van vergroting van de bestaande woning, maar van sloop daarvan en oprichting van een nieuwe woning.

2.3. Het betoog slaagt niet. In dit verband is niet zozeer de in de bouwaanvraag gehanteerde omschrijving van het bouwplan van belang, als wel het vergunde bouwplan zelf zoals dit blijkt uit de bij de bouwvergunning behorende tekeningen. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de fundering en enkele muren (ten dele) blijven staan en dat in ieder geval geen sprake is van volledige sloop van de oude woning. De opvatting van ir. Holger Büttner, bouwkundig ingenieur en architect, in een door [appellanten] overgelegde verklaring van 8 augustus 2007 na observatie ter plekke, dat de oorspronkelijke woning zo goed als gesloopt is en dat deze voltooide sloopactiviteiten het onmogelijk maken de oorspronkelijke woning uit te breiden, maakt dit niet anders.

Voor zover [appellanten] beogen te betogen dat in afwijking van een verleende sloopvergunning is gesloopt, of in afwijking van de verleende bouwvergunning zal worden gebouwd, kan dat niet in deze procedure aan de orde komen.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 24 april 2007 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 44 van de Woningwet vernietigen. Het college dient opnieuw op de bezwaren te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De Afdeling ziet aanleiding om, zoals [appellanten] hebben verzocht, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juli 2007 in zaken nrs. 07/4029 en 07/4030;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 24 april 2007, kenmerk 06032223/LdH;

V. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van 23 oktober 2006, 2006/0332/174/BV tot zes weken nadat het college opnieuw heeft beslist op het door [appellanten] gemaakte bezwaar;

VI. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Wassenaar aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de gemeente Wassenaar aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Krol, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Krol

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

423-488.