Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7587

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200706160/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) de Aengelbertlaan te Oss gedeeltelijk afgesloten voor alle verkeer met uitzondering van fietsers en bromfietsers door middel van het plaatsen van uitneembare palen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706160/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3442 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) de Aengelbertlaan te Oss gedeeltelijk afgesloten voor alle verkeer met uitzondering van fietsers en bromfietsers door middel van het plaatsen van uitneembare palen.

Bij besluit van 21 juni 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2007, verzonden op 16 juli 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.E. Jendsen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. en het college, vertegenwoordigd door P.L.H. Brack en P.P.M. Wagemakers, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) kunnen, voor zover thans van belang, de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in standhouden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens en onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 18, derde lid, van de WVW 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur regels vastgesteld omtrent de eisen waaraan verkeersbesluiten dienen te voldoen alsmede omtrent de totstandkoming en de inwerkingtreding van die besluiten. Hieraan is in de artikelen 21 en 23 t/m 27 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) gevolg gegeven.

Ingevolge artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.2. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar ter motivering van het verkeersbesluit beroepen op de belangen genoemd in artikel 2, eerste lid, onder a en b, alsmede op het belang genoemd in het tweede lid, onder b, van de WVW 1994. Daartoe heeft het zich op het standpunt gesteld dat de weg ligt in een recreatiegebied en dat in een dergelijk gebied bij voorkeur recreatieve verkeersdeelnemers, zowel wandelaars als fietsers, ruimte hebben in plaats van gemotoriseerd verkeer. De afsluiting voorkomt sluipverkeer ter plaatse en zal bijdragen aan een rustiger natuurgebied, meer veiligheid op de weg en een betere bescherming van wandelaars en fietsers, aldus het college. Het belang van [appellant] weegt daar volgens het college niet tegen op.

2.3. [appellant], die een veeteeltbedrijf heeft in de buurt van de Aengelbertlaan aan de Munweg en die door de afsluiting via de Docfalaan, een laan met een aantal hoge verkeersdrempels, moet omrijden om landbouwgronden van zijn veeteeltbedrijf in Berghem te kunnen bereiken, bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college dit verkeersbesluit in redelijkheid heeft kunnen nemen. Hij betoogt dat de rechtbank de motivering van het verkeersbesluit, waarbij het college zich op bescherming van de natuurwaarden van het desbetreffende gebied beroept, op basis van feitelijk onjuiste gegevens heeft beoordeeld. Daarbij wijst [appellant] erop dat de Aengelbertlaan niet, zoals gesteld, grenst aan natuurgebied Herpenduin, maar dat dit op een kilometer afstand ligt, terwijl er voorts een industriegebied en woonboulevard op zeer korte afstand zijn gelegen. Voorts heeft volgens [appellant] een rijschool een inrit aan het afgesloten gedeelte van de Aengelbertlaan en wordt het daaraan gelegen motorcrossgebied intensiever gebruikt dan slechts twee keer per jaar. Daarnaast is volgens [appellant] het sluipverkeer reeds opgeheven door de afsluiting van een gedeelte van de Docfalaan en de Vorstengraflaan richting het industriegebied Vorstengrafdonk en maken zeer weinig fietsers gebruik van de Aengelbertlaan, terwijl er tevens al een recreatieve fietsverbinding bestaat op de Vierwindenlaan.

2.4. Anders dan [appellant] heeft betoogd is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het afgesloten gedeelte van de Aengelbertlaan, die volgens het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" ligt in een bosgebied en die een verbinding vormt naar het natuurgebied Herpenduin, het karakter heeft van een recreatiegebied met enige natuurwaarde. Aan de hand van de ter zitting toegelichte luchtfoto is gebleken dat het industrieterrein en de woonboulevard buiten dit recreatiegebied zijn gelegen. Het college heeft ter zitting voorts verklaard dat op het aan de Aengelbertlaan op een voormalige vuilstortplaats aangelegde zandcircuit niet meer dan twee maal per jaar een motorcross wordt toegestaan en dat voor de rest van het jaar een fietscrossclub van dat circuit gebruik maakt. Een dergelijk gebruik van dat terrein doet niet zonder meer afbreuk aan de natuurwaarde van het recreatiegebied. Niet gebleken is voorts dat de aanwezigheid van een opleidingsinstituut voor weg- en waterbouw een zodanig intensief gebruik van het gebied met zich meebrengt dat dit het karakter van het recreatiegebied zou aantasten. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het instituut via het naastgelegen terrein, waarvan de inrit buiten de afsluiting valt, bereikbaar is.

2.5. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen komt het college bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe en zal de rechter zich bij de beoordeling van zo’n besluit terughoudend moeten opstellen en dienen te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit is kunnen komen.

2.6. In het licht van deze terughoudende toetsing kan het betoog van [appellant] dat er al een fietspad is op de nabijgelegen Vierwindenlaan en dat het sluipverkeer op de Aengelbertlaan van beperkte omvang is, geen grond opleveren voor het oordeel dat het college niet heeft mogen besluiten om de door het verkeer - hoe beperkt ook - veroorzaakte aantasting van het karakter van het recreatiegebied te verminderen en de positie van fietsers en wandelaars in dit gebied te versterken. In aanmerking genomen dat de landbouwgronden van [appellant] via de Docfalaan goed bereikbaar blijven, zij het dat met de landbouwvoertuigen van [appellant] als gevolg van de verkeersdrempels iets langzamer zal moeten worden gereden, kan voorts niet worden geoordeeld dat het college de zojuist omschreven belangen die met het verkeersbesluit worden gediend niet heeft mogen laten prevaleren boven de belangen van [appellant].

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Haverkamp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

306-497.