Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7580

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
200705347/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woerden (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer, zoals dat artikel luidde vóór 1 januari 2008, verleend voor het oprichten en in werking hebben van een tankstation voor het wegverkeer met wasboxen en wasstraten op een [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 juni 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Besluit externe veiligheid inrichtingen 12
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/66 met annotatie van Slappendel
Module Ruimtelijke ordening 2008/3515

Uitspraak

200705347/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Woerden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woerden (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer, zoals dat artikel luidde vóór 1 januari 2008, verleend voor het oprichten en in werking hebben van een tankstation voor het wegverkeer met wasboxen en wasstraten op een [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 juni 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2008, waar [appellanten], van wie [gemachtigde] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.M. Kampen, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] voeren aan dat het besluit niet binnen de daartoe gestelde termijn is genomen.

Een overschrijding van de wettelijke beslistermijn tast de rechtmatigheid van het besluit niet aan. Deze beroepsgrond kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat de inrichting in verband met het aspect externe veiligheid op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat het college is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van een inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellanten] stellen dat bij de vergunningverlening niet of onvoldoende rekening is gehouden met het gevoel van onveiligheid van omwonenden.

Voorts stellen zij dat de berekening van het groepsrisico enkel overeind kan blijven, als het college er voor zorg draagt dat de brandweer op tijd en met het juiste materieel aanwezig kan zijn. In dat verband merken zij op dat geen van de brandweerkorpsen in de buurt over zogenoemde crashtenders beschikt en dat de vereiste effectieve inzet van brandweer binnen 10 à 15 minuten in de praktijk nauwelijks haalbaar is.

[appellanten] stellen voorts dat bij de berekening van het groepsrisico door Adviesgroep AVIV BV (hierna: AVIV) en de Brandweer Regio Utrechts Land (hierna: BRUL) is uitgegaan van een te laag aantal woningen in een straal van 150 meter rond het vulpunt voor LPG en daarmee van een te laag aantal dodelijke slachtoffers. Volgens [appellanten] had het college BRUL daarom opnieuw om advies moeten vragen, toen bleek dat het aantal woningen in die straal hoger was.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de inzet van materieel van de brandweer en de beschikbaarheid daarvan geen afwegingsgrond of weigeringsgrond is bij de beoordeling van een aanvraag om milieuvergunning.

Het college stelt voorts dat de omstandigheid dat bij de berekening van het groepsrisico was uitgegaan van een verkeerd aantal woningen binnen een straal van 150 meter van het vulpunt, geen aanleiding gaf om de BRUL opnieuw om advies te vragen, nu dit voor de beoordeling van het groepsrisico geen gevolgen bleek te hebben.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat het Besluit externe veiligheid inrichtingen uitgaat van veiligheidsafstanden voor LPG-tankstations. Die afstanden moeten in acht worden genomen. Daarmee is afgewogen welk risico buiten die in acht te nemen afstanden aanvaardbaar wordt geacht. Dat er ook als die afstanden in acht worden genomen een gevoel van onveiligheid bij omwonenden bestaat, kan voor het college geen factor zijn om in de beoordeling van de aanvraag te betrekken. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.3.3. Het groepsrisico, bedoeld in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, wordt, zoals uit het advies van AVIV van 23 juni 2005 blijkt, in het geval van een LPG-tankstation zonder bebouwing binnen 45 meter vanaf het vulpunt bepaald door de BLEVE van een tankauto tijdens het lossen. Voor de frequentie van een BLEVE tijdens het lossen van de tankauto wordt uitgegaan van de modellering in de TNO-rapporten "Kwantitatieve risico-analyse generiek voor LPG-tankstations" (TNO-rapport R2001/435), "Invloed systeemreacties LPG-tankinstallatie op risico LPG-tankstation (TNO-rapport R2004/107) en "Reductie BLEVE-frequentie van een LPG-tankauto op een autotankstation". Daarbij wordt uitgegaan van een faalkans die voor alle LPG-tankstations in Nederland hetzelfde is. Hetgeen [appellanten] in dit kader hebben aangevoerd, geeft onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het college vorenstaande uitgangspunten niet heeft mogen hanteren. De beroepsgrond faalt in zoverre eveneens.

2.3.4. Bij de totstandkoming van de adviezen van AVIV en BRUL is uitgegaan van 26 woningen binnen een straal van 150 meter rond het vulpunt voor LPG. Naar aanleiding van de door [appellanten] ingebrachte zienswijze over het ontwerp is evenwel gebleken dat het aantal woningen binnen die straal in werkelijkheid groter is, te weten 32 woningen. Dit leidt bij toepassing van de in de adviezen van AVIV en BRUL gehanteerde berekeningswijze tot 54 in plaats de aanvankelijk berekende 44 dodelijke slachtoffers. Uit het rapport van AVIV valt evenwel af te leiden dat ook dit hogere aantal onder de oriëntatiewaarde blijft. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling dan ook mogen afzien van het opnieuw vragen van advies aan BRUL. De beroepsgrond faalt in zoverre eveneens.

2.4. [appellanten] stellen dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan de grenswaarden die in het Besluit luchtkwaliteit 2005 zijn gesteld voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, lood, koolmonoxide en benzeen. Zij stellen in dit verband dat de tankinstallatie en de tankhandelingen invloed zullen hebben op de benzeenconcentraties in de lucht.

2.4.1. Het college stelt dat blijkens de bijlage bij het memo van 26 oktober 2005 van de Milieudienst Noord-West Utrecht (hierna: het memo) wel is getoetst aan de grenswaarden voor zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen. Een toets aan grenswaarden voor andere stoffen is volgens het college niet verricht, omdat deze niet worden overschreden in Nederland. In de considerans van het bestreden besluit is uitsluitend ingegaan op de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10), omdat in het algemeen alleen bij deze stoffen een knelpunt kan ontstaan, aldus het college.

2.4.2. Blijkens de bijlage bij het memo is naast de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) ook getoetst aan de grenswaarden voor zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen uit het Besluit luchtkwaliteit 2005, zoals dat tot 15 november 2007 gold. Hierbij is niet gebleken dat deze grenswaarden zullen worden overschreden. Het college heeft weliswaar niet getoetst aan de grenswaarden voor stikstofoxiden en lood, maar uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat onder normale omstandigheden geen overschrijding van die grenswaarden zal plaatsvinden bij vervoersgerelateerde emissies. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dat in dit geval anders zou zijn. De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten] stellen dat het door het college gehanteerde rekenmodel CAR II onvoldoende nauwkeurig is voor de berekening van de luchtkwaliteit, zodat het niet als basis kan dienen voor een besluit op een aanvraag om een milieuvergunning. Zij wijzen er daarbij op dat de achtergrondconcentraties waarvan in het model wordt uitgegaan, worden afgeleid uit concentratiekaarten waarin lokale bronnen worden uitgesmeerd over een groter oppervlak. [appellanten] stellen dat daardoor onvoldoende rekening is gehouden met de Rijksweg A12, die volgens hen op ongeveer 300 meter afstand is gelegen.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de achtergrondconcentraties in nieuwere versies van het rekenmodel CAR II zijn bijgesteld aan de hand van meetgegevens afkomstig van de in Nederland aanwezige meetstations. Toepassing van de nieuwere versie 6.1.1 van het rekenmodel CAR II model zal volgens het college resulteren in een kleiner aantal overschrijdingsdagen van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) dan toepassing van de door het college gebruikte versie 4.0.0.

2.5.2. Het rekenmodel CAR II is, zoals ook in het deskundigenbericht is vermeld, een algemeen geaccepteerd model om indicatief de gevolgen voor de luchtkwaliteit van het wegverkeer te berekenen. De beperkingen van het rekenmodel brengen met zich dat hogere waarden worden berekend dan in werkelijkheid zullen worden bereikt. Zolang met dit model geen overschrijding wordt berekend, hetgeen, zoals uit het navolgende zal blijken, hier het geval is, kan daarom van de uitkomsten van dit model worden uitgegaan.

Voor de achtergrondconcentraties wordt in het rekenmodel CAR II gebruik gemaakt van de berekende achtergrondgrondconcentraties, die worden afgeleid uit de zogenoemde concentratiekaarten voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland van het Milieu- en Natuurplanbureau, ook wel GCN-kaarten genoemd. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat de bijdrage van de Rijksweg A12 in de uit die kaarten afgeleide achtergrondconcentraties toereikend is verdisconteerd.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellanten] stellen te twijfelen aan de juistheid van de verkeersintensiteit op de Veldhuizerweg die als uitgangspunt is genomen voor de berekeningen van de luchtkwaliteit. Zij wijzen daarbij onder meer op de in aanbouw zijnde wijk Vleuterweide, waar volgens hen tussen 2004 en 2010 6.000 woningen verrijzen met naar schatting 15.000 nieuwe bewoners.

2.6.1. Het college heeft blijkens het memo de verwachte verkeersintensiteit in 2010 als uitgangspunt genomen voor toetsing aan de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005, zoals dat gold tot 15 november 2007. Daarbij is zij uitgegaan van een verkeersintensiteit op de Veldhuizerweg van 27.710 motorvoertuigen per etmaal. Uit het deskundigenbericht blijkt dat volgens het Projectbureau Leidsche Rijn in dat cijfer reeds rekening is gehouden met toekomstige wijzigingen van de infrastructuur en toekomstige woonbebouwing, waaronder de wijk Vleuterweide. Nu uit het deskundigenbericht voorts blijkt dat de gemeten verkeersintensiteit in 2006 op dezelfde weg iets minder dan 18.000 motorvoertuigen per etmaal bedroeg, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college een verkeersintensiteit van 27.710 motorvoertuigen per etmaal niet tot uitgangspunt had mogen nemen. De beroepsgrond faalt.

2.7. Voor zover [appellanten] stellen dat bij de berekening van de concentratie zwevende deeltjes (PM10) ten onrechte geen rekening is gehouden met de bijdrage van de autowasinstallaties die binnen de inrichting aanwezig zullen zijn, overweegt de Afdeling dat, gezien het deskundigenbericht, niet te verwachten is dat het in werking zijn van deze installaties zal leiden tot de emissie van zwevende deeltjes (PM10). De beroepsgrond faalt.

2.8. Volgens [appellanten] heeft het college onvoldoende onderbouwd dat de concentratie zwevende deeltjes (PM10) lager zal zijn op een grotere afstand van de wegas dan de door het college gehanteerde afstand.

2.8.1. Het college stelt dat het niet in de lijn der verwachting ligt dat de luchtkwaliteit op een grotere afstand door de invloed van het tankstation slechter zou zijn dan dichter bij het tankstation.

2.8.2. Uit het deskundigenbericht valt af te leiden dat de concentratie zwevende deeltjes (PM10), met name bij uitmiddeling tot etmaal- en jaargemiddelden, lager zal zijn op een grotere afstand van de wegas dan de door het college gehanteerde afstand. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de concentratie op grotere afstand van de wegas lager zal zijn dan op de door hem gehanteerde afstand. De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellanten] stellen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het aantal overschrijdingsdagen van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) niet meer dan 35 bedraagt.

2.9.1. Ingevolge artikel 20 van het Besluit luchtkwaliteit 2005, zoals dat gold tot 15 november 2007 en voor zover van belang, geldt voor zwevende deeltjes (PM10) de grenswaarde van 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.9.2. Uit de door het college als nader stuk ingediende berekeningen met versie 5.1.0 van het CAR-model, welke versie het college ten tijde van het bestreden besluit had mogen hanteren, blijkt dat de grenswaarde van 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10) 29 maal per kalenderjaar zal worden overschreden. Hiermee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 20 van het Besluit luchtkwaliteit 2005, zoals dat gold tot 15 november 2007. De beroepsgrond faalt derhalve.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008

288.