Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
200800347/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Ede (hierna: de raad) bij besluit van 12 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan 'Woongebied Kernhem'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200800347/2.

Datum uitspraak: 14 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de vereniging Vereniging behoud Kernhem/Doesburg, gevestigd te Ede, verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Ede (hierna: de raad) bij besluit van 12 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan 'Woongebied Kernhem'.

Tegen dit besluit heeft onder meer de vereniging Vereniging behoud Kernhem/Doesburg (hierna: de vereniging) bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2008, beroep ingesteld.

Bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2008, heeft de vereniging de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 februari 2008, waar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, en T.M. Driever, G.G.H. Rijkse en L.G.A.M. van Duuren, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het woongebied Kernhem dat aan de rand van Ede ligt. In de plantoelichting wordt onderscheid gemaakt tussen vlek A en vlek B van dit woongebied. Vlek A is grotendeels al gerealiseerd met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Vlek B is nog niet gerealiseerd. In het plan zijn in zoverre voor het merendeel uit te werken bestemmingen opgenomen.

Het plan voorziet verder in een baanverdubbeling van de N224.

2.3. De vereniging heeft aangegeven dat met haar verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening een spoedeisend belang is gemoeid, aangezien bomen zullen worden gekapt, gronden bouwrijp zullen worden gemaakt dan wel infrastructuur zal worden aangelegd. De voorzitter overweegt dienaangaande het volgende.

De kap van bomen wordt niet in het plan geregeld, maar wordt met de verlening van kapvergunningen toegestaan. Nu schorsing van het bestreden besluit de kap van bomen niet kan verhinderen, kan in de omstandigheid dat op korte termijn bomen zullen worden gekapt - wat daarvan ook zij - evenmin een spoedeisend belang zijn gelegen.

Wat betreft vlek A is niet gebleken dat gronden bouwrijp zullen worden gemaakt dan wel nieuwe infrastructuur zal worden aangelegd. Voor zover het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening betrekking heeft op dit planonderdeel is daarmee geen spoedeisend belang gemoeid.

Ter zitting is gebleken dat voor vlek B op korte termijn één of meer uitwerkingsplannen zullen worden vastgesteld. Gelet hierop is niet uitgesloten dat in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure een begin wordt gemaakt met de realisering van vlek B. Evenmin is uitgesloten dat in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure een begin wordt gemaakt met de baanverdubbeling van de N224. De voorzitter ziet daarom aanleiding nader in te gaan op de bezwaren van de vereniging met betrekking tot deze planonderdelen.

2.4. De vereniging stelt zich op het standpunt dat geen behoefte bestaat aan nieuwe woningbouw.

Gebleken is dat de behoefte om nieuwe woningbouw in vlek B te realiseren mede verband houdt met het tekort aan zogenoemde sociale woningbouw in Ede. Een deel van de nieuwe woningbouw in vlek B is nodig voor de opvang van de bewoners van de te herstructureren wijken Veldhuizen en Uitvindersbuurt. De voorzitter ziet in hetgeen de vereniging heeft aangevoerd voorshands geen reden om te twijfelen aan de behoefte aan nieuwe woningbouw.

2.5. De vereniging voert aan dat niet wordt voldaan aan de partiële herziening van het Streekplan Gelderland 1996 van 21 september 2001 en het aan deze partiële herziening ten grondslag gelegde milieu-effectrapport, nu langs de Doesburgerdijk geen ecologische zone met een breedte van 90 meter zal worden aangelegd.

2.5.1. Daargelaten dat thans het Streekplan Gelderland 2005 geldt, overweegt de voorzitter het volgende.

In voormelde partiële herziening van het Streekplan Gelderland 1996, voor zover hier van belang, is onder meer de beleidsuitspraak opgenomen: 'Om de overgang naar het waardevolle gebied ten noorden van de Doesburgerdijk op ecologisch verantwoorde wijze gestalte te kunnen geven, zal in het noordelijk gedeelte van de woonwijk Kernhem een ecologische zone van voldoende breedte (ten minste 50 m) moeten worden ingepast'. In de projectnotitie Kernhem van 12 juni 2001, die deel uitmaakt van het milieu-effectrapport dat ten behoeve van voormelde partiële herziening is opgesteld, staat vermeld: 'Aan de noordzijde van het plangebied wordt langs de Doesburgerdijk de bestaande houtwal uitgebreid tot een ecologische zone van 50-90 m breed'.

Anders dan de vereniging veronderstelt, volgt uit de tekst van de partiële herziening van het Streekplan Gelderland 1996 noch de tekst van het daaraan ten grondslag gelegde milieu-effectrapport dat langs de Doesburgerdijk een ecologische zone met een breedte van 90 meter dient te worden aangelegd. In beide documenten wordt er wel van uitgegaan dat langs de Doesburgerdijk een ecologische zone wordt gerealiseerd met een breedte van ten minste 50 meter. Plankaart 2 kent aan de gronden langs de Doesburgerdijk in vlek B de bestemming 'Uit te werken natuurgebied, ecologische zone (Une)' toe. Nu in artikel 10 van de planvoorschriften is vastgelegd dat deze bestemming zodanig dient te worden uitgewerkt dat wordt voorzien in een ecologische zone met een breedte van minimaal 50 meter, kan naar het oordeel van de voorzitter niet staande worden gehouden dat niet wordt voldaan aan voormelde partiële herziening en het daaraan ten grondslag gelegde milieu-effectrapport.

2.6. De vereniging vreest voor de nadelige gevolgen die de baanverdubbeling van de N224 volgens haar kan hebben voor vleermuizen. Verder worden volgens haar onvoldoende maatregelen getroffen om nadelige gevolgen voor vleermuizen in vlek B te voorkomen.

2.6.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.6.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is uitgangspunt van de baanverdubbeling van de N224 dat de bestaande bomenrijen behouden blijven. Dit komt in artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften tot uitdrukking. Ingevolge dit planvoorschrift zijn de op de plankaart als 'Verkeerdoeleinden (V)' aangewezen gronden mede bestemd voor behoud, versterking en/of herstel van de landschappelijke en natuurwaarde van de binnen deze bestemming aanwezige houtopstanden (laanbeplantingen). Niet is gebleken dat vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zullen worden verstoord voor zover ten behoeve van de aantakking van de N224 op vlek B de aanwezige bomenrijen zullen worden doorbroken. Ter zitting is van de zijde van de raad verder uiteengezet dat de bestemming 'Verkeersdoeleinden (V)' de ruimte laat om ter plaatse eventueel een zogenoemde hop-over voor vleermuizen te realiseren.

Blijkens het rapport 'Actualisatie toetsing Kernhem vlek B aan de natuurwetgeving' van Arcadis van 20 oktober 2006 wordt de verwachtingswaarde van vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen in vlek B laag ingeschat. Met name de beplanting langs de Doesburgerdijk en de bosstrook aan de oostzijde van vlek B vormen vliegroutes voor de laatvlieger en in mindere mate voor de gewone dwergvleermuis. Blijkens dit rapport is tevens sprake van een vliegroute voor de laatvlieger vanaf de Doesburgerdijk in zuidelijke richting. Vast staat dat de bosstrook aan de oostzijde van vlek B als zodanig is bestemd, nu plankaart 2 aan de desbetreffende gronden de bestemming 'Houtwal/houtopstanden (Nh)' toekent. De beplanting langs de Doesburgerdijk zal, zoals hiervoor is overwogen, worden omgevormd tot een ecologische zone met een breedte van minimaal 50 meter. Vast staat verder dat het plan voorziet in het behoud van een aantal bestaande houtwallen en de aanleg van een voor vleermuizen aantrekkelijke waterpartij - genoemd de slenk - aan de westzijde van vlek B. Daartoe kent plankaart 2 aan de gronden met de bestemming 'Uit te werken woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen (UW(bv))' in enkele gevallen tevens de aanduiding 'houtwal' dan wel de aanduiding 'slenk' toe.

Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter in hetgeen de vereniging heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet in zoverre niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.7. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd met betrekking tot de duurzaamheid van de te bouwen woningen, de oorzaak van het niet meer voorkomen van de rauwmantel in het plangebied en de afvoer van water uit vlek B ziet de voorzitter evenmin een aanknopingspunt voor het oordeel dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

2.8. Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Jansen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008

399.