Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7121

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200704629/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit op bezwaar van 16 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de activiteiten in de autobox op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) opnieuw afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/2982

Uitspraak

200704629/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1133 van de rechtbank Almelo van 1 juni 2007 in het geding tussen:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

1. Procesverloop

Bij besluit op bezwaar van 16 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de activiteiten in de autobox op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 1 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2008, waar het college, vertegenwoordigd door B. Tapper en A.G.M. Olde Hanter, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [partij] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 21 december 2004 heeft het college het verzoek van [appellant] van 26 november 2004 om handhavend op te treden tegen de activiteiten in de garagebox behorend bij de woning op het perceel afgewezen. Bij besluit van 22 april 2005 heeft college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 juni 2006, in zaak nr. 05/582, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat het college niet had getoetst of de garage aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 voldeed.

2.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb), wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1. de verandering heeft geen betrekking op de draagconstructie van dat bouwwerk,

2. de bebouwde oppervlakte wordt niet uitgebreid, en

3. het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er voor het aanbrengen van een waterleiding, een radiator, een stoel en een spiegel in de garage met als doel die garage in gebruik te kunnen nemen als kapsalon, een bouwvergunning vereist is. [appellant] voert hiertoe aan dat de veranderingen geen veranderingen van niet-ingrijpende aard zijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb.

2.3.1. Het college heeft voor het gebruik van de garage als kapsalon bij besluit van 28 april 2003 vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Noord, Schelfhorst/Krommendijk vak 9", waarin het gedeelte van het perceel waarop de garage is gebouwd, is bestemd tot "Erf". Naar het college ter zitting heeft verduidelijkt, is buiten twijfel dat het vrijstellingsbesluit betrekking heeft op de autobox behorende bij de woning [locatie] waar het ook in de thans voorliggende procedure over gaat. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. Met de aangebrachte voorzieningen wordt het niet-wederrechtelijke gebruik dan ook gehandhaafd. Ook aan de andere kenmerken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb wordt voldaan. De veranderingen zijn daarnaast als van niet-ingrijpende aard aan te merken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het aanbrengen van de voorzieningen bouwvergunningvrij is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Hij voert daartoe aan dat de garagebox voor het gebruik als kapsalon tenminste ten aanzien van de aanwezigheid van een toilet en de brandveiligheidseisen niet aan de eisen voor bestaande bouw van het Bouwbesluit voldoet. Hij stelt dat het aan het besluit op bezwaar ten grondslag liggende inspectie-rapport onvolledig is wat betreft deze aspecten. [appellant] wijst erop dat hij deze beroepsgrond, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet eerst ter zitting bij de rechtbank heeft aangevoerd.

2.4.1. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het gestelde omtrent het ontbreken van een toilet bij de kapsalon wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit argument houdt direct verband met de door [appellant] in zijn beroepschrift opgenomen stelling dat de kapsalon aan het Bouwbesluit moet voldoen. Gelet op hetgeen hieronder in overweging 2.4.3. wordt overwogen, leidt dit echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.4.2. Ingevolge artikel 4.40, eerste lid, van het Bouwbesluit, heeft een bestaand bouwwerk voldoende toiletruimten.

Ingevolge artikel 4.41, eerste lid, van het Bouwbesluit, voor zover thans van belang, gelezen in samenhang met tabel 4.40 van het Bouwbesluit, heeft een winkelfunctie twee toiletruimten.

Ingevolge het vierde lid van dat artikel, voor zover thans van belang, kan in afwijking van het eerste lid, worden volstaan met één al dan niet gemeenschappelijke toiletruimte, indien de totale gebruiksoppervlakte van de op deze toiletruimten aangewezen gebruiksfuncties niet groter is dan 600 m².

Ingevolge het vijfde lid van dat artikel, kan een toiletruimte een gemeenschappelijke toiletruimte zijn.

2.4.3. De garage dient aan de eisen van het Bouwbesluit voor bestaande bouw te voldoen. Niet in geschil is dat de kapsalon een winkelfunctie heeft als bedoeld in het Bouwbesluit. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat de totale gebruiksoppervlakte van de op de toiletruimten aangewezen gebruiksfuncties (de winkelfunctie en de woonfunctie) niet groter is dan 600 m2, zodat ingevolge artikel 4.41, vierde lid, van het Bouwbesluit kan worden volstaan met één al dan niet gemeenschappelijke toiletruimte. Het college is terecht tot de conclusie gekomen dat de toiletruimte ingevolge 4.41, vijfde lid, van het Bouwbesluit een gemeenschappelijke toiletruimte mag zijn.

2.4.4. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar van 16 augustus 2006 onder verwijzing naar de rapportage van de inspecteur bouwtoezicht van 5 juli 2006 op het standpunt gesteld dat de garage aan de eisen van bestaande bouw voor een winkelfunctie voldoet. In hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de garage niet voldoet aan de technische en brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit.

De conclusie is dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink   w.g. Steinebach-de Wit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

328-560.