Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200703330/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dela Uitvaartverzorging B.V. (hierna: Dela) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een crematorium-uitvaartcentrum gelegen op de begraafplaats "Tussen de Bergen" te Roermond. Dit besluit is op 4 april 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/404
JOM 2009/405
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/2638
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/1672

Uitspraak

200703330/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Crematorium Midden-Limburg B.V., gevestigd te Baexem, gemeente Leudal,

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dela Uitvaartverzorging B.V. (hierna: Dela) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een crematorium-uitvaartcentrum gelegen op de begraafplaats "Tussen de Bergen" te Roermond. Dit besluit is op 4 april 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2007, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2007, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2007, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2007, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2007, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Crematorium Midden-Limburg B.V. (hierna: CML) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2007, beroep ingesteld. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 7 juni 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 november 2007.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2008, waar [appellant sub 4], in persoon, CML, vertegenwoordigd door mr. T. Thijssen en mr. E.A.C. Spoormakers, en het college, vertegenwoordigd door M.H.J. Roelofs en drs. L. Valkenburg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord Dela, vertegenwoordigd door mr. K.A.M. van Kampen, advocaat te Eindhoven, en N.A.C. van der Loop.

2. Overwegingen

2.1. Eerst ter zitting heeft [appellant sub 4] gronden aangevoerd met betrekking tot de aantasting van natuurwaarden van de Ecologische Hoofdstructuur. In dit stadium van de procedure is dit, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze gronden daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

Ontvankelijkheid

2.2. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.

[appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben zienswijzen naar voren gebracht over geluidhinder. De beroepsgrond dat in het akoestisch rapport ten onrechte geen rekening is gehouden met verkeersbewegingen van en naar onder meer de nabijgelegen begraafplaats heeft eveneens betrekking op geluidhinder. Anders dan het college stelt, bestaat er derhalve geen grond om de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

Omvang van de inrichting

2.3. De vergunning is aangevraagd en verleend voor een crematorium, een uitvaartcentrum en een parkeerplaats.

2.3.1. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] voeren aan dat tevens een strooiveld had moeten worden aangevraagd. Zij vrezen dat er in de toekomst alsnog een strooiveld zal komen en stellen dat Dela zelf te kennen heeft gegeven dat een dergelijke voorziening wezenlijk is voor het functioneren van een crematorium.

2.3.2. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Dela heeft geen strooiveld aangevraagd. Voorts is niet gebleken dat in de inrichting een strooiveld aanwezig is of dat dit zal worden aangelegd. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat slechts een vergunning voor het crematorium kan worden verleend als die vergunning mede een strooiveld omvat.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat het crematorium tezamen met de naastgelegen begraafplaats als één inrichting moet worden aangemerkt. Zij stellen dat tussen de gemeente Roermond en Dela afspraken zijn gemaakt over exploitatie van de begraafplaats door Dela. Volgens hen is het doel dat in de toekomst het crematorium, de begraafplaats en een strooiveld als één geheel door Dela zullen worden geëxploiteerd en beheerd.

2.4.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Ingevolge het vierde lid worden daarbij als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.4.2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Afdeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het crematorium wordt door Dela geëxploiteerd. Onmiddellijk naast de inrichting is een gemeentelijke begraafplaats gelegen, die eigendom is van de gemeente Roermond. Dela exploiteert de begraafplaats niet. Ook overigens is niet gebleken dat Dela op enige wijze zeggenschap kan uitoefenen over de bedrijfsvoering van de begraafplaats.

In het crematorium kunnen plechtigheden ten behoeve van de begraafplaats worden gehouden. Voor het overige is de Afdeling niet gebleken van technische, organisatorische of functionele bindingen tussen het crematorium en de begraafplaats. In dit verband is onder meer van belang dat de begraafplaats over een eigen parkeerterrein beschikt, er geen uitwisseling van goederen, personeel of bedrijfsmiddelen plaatsvindt en dat de begraafplaats geen strooiveld heeft waarvan het crematorium gebruik maakt. Het crematorium en de begraafplaats kunnen naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet worden beschouwd als tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties waartussen technische, organisatorische of functionele bindingen bestaan. Het crematorium dient derhalve niet tezamen met de begraafplaats als één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer te worden aangemerkt.

Deze beroepsgrond faalt.

Coördinatie met de bouwvergunning

2.5. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] voeren aan dat ten onrechte geen afstemming heeft plaatsgevonden met de bouwvergunning die vereist is voor de bouw van het crematorium.

2.5.1. Het ontbreken van een bouwvergunning staat er niet aan in de weg dat krachtens de Wet milieubeheer een vergunning wordt verleend. Verder is aannemelijk geworden dat ten tijde van het indienen van de aanvraag nog geen aanvraag om een bouwvergunning was ingediend. Er bestond daarom, gelet op het bepaalde in artikel 8.5, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 5.3 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb), geen verplichting bij de aanvraag een afschrift van de aanvraag om een bouwvergunning over te leggen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de aanvraag in zoverre onvolledig is.

Deze beroepsgrond faalt.

Toetsingskader

2.6. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Toekomstige ontwikkelingen

2.7. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] voeren aan dat het college bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met toekomstige woningbouw in de omgeving van de inrichting.

2.7.1. Het college stelt dat voor de woningbouw in het gebied Melickerveld nog geen concrete stedenbouwkundige visie is vastgesteld en dat nog geen besluiten zijn genomen over het aantal, de soort en de ligging van de woningen in het gebied.

2.7.2. Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

2.7.3. Uit de stukken blijkt dat de woningbouw in het gebied Melickerveld is opgenomen in de gemeentelijke structuurvisie Roermond/Roerdalen. Het geldende bestemmingsplan voorziet echter niet in woningbouw op deze locatie. Gelet hierop is de bouw van de woningen nog niet voldoende concreet om te kunnen worden aangemerkt als redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling in de zin van artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, die het college bij de beslissing op de aanvraag had moeten betrekken.

Deze beroepsgrond faalt.

Eigendom van het terrein

2.8. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] voeren aan dat geen vergunning kon worden verleend, omdat Dela niet volledig kan beschikken over het terrein waarop de inrichting zal worden gevestigd. De gronden zijn volgens hen niet geheel in eigendom bij Dela of de gemeente Roermond.

2.8.1. De vraag of de vergunningaanvrager al dan niet beschikt over het eigendoms- of gebruiksrecht op de gronden waarop de inrichting zal worden gevestigd, betreft een privaatrechtelijke kwestie die geen rol speelt bij de beantwoording van de vraag of een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kan worden verleend. Reeds hierom treft deze beroepsgrond geen doel.

Capaciteit van de inrichting

2.9. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] vrezen dat meer dan vijf crematies per dag zullen plaatsvinden, omdat de technische capaciteit van de inrichting volgens hen tien crematies per dag toelaat.

2.9.1. Het college betoogt dat vergunningvoorschrift 1.16 er aan in de weg staat dat meer dan vijf crematies per dag plaatsvinden. In dit voorschrift is bepaald dat binnen de inrichting maximaal vijf plechtigheden per dag mogen plaatsvinden op maandag tot en met zaterdag.

2.9.2. Uit het bestreden besluit blijkt dat de inrichting zal worden gebruikt voor zowel plechtigheden voorafgaand aan crematies als voor plechtigheden ten behoeve van de nabijgelegen begraafplaats. Voorschrift 1.16 beperkt het aantal van deze plechtigheden tot maximaal vijf per dag. Voor zover is aangevoerd dat daarnaast in de inrichting ook crematies zonder plechtigheid kunnen plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat op grond van het bestreden besluit voldoende duidelijk is dat onder plechtigheden als bedoeld in voorschrift 1.16 mede moeten worden begrepen crematies zonder voorafgaande plechtigheid. Dit volgt onder meer uit de aanvraag, waarin maximaal vijf plechtigheden en crematies per dag zijn gevraagd. Noch uit de vergunning, noch uit de aanvraag, die daarvan deel uitmaakt, blijkt derhalve dat meer dan vijf plechtigheden per dag mogen worden gehouden, of dat meer dan vijf crematies per dag - al dan niet met voorafgaande plechtigheid - mogen plaatsvinden.

Voor zover [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] vrezen dat vergunningvoorschrift 1.16 niet zal worden nageleefd, hebben de beroepen geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en kunnen ze om die reden niet slagen.

Deze beroepsgrond faalt.

Parkeerhinder

2.10. [appellant sub 5] vreest parkeeroverlast in de omgeving van de inrichting.

2.10.1. Het college heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit onder meer gebaseerd op de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van CROW (hierna: de ASVV). In de ASVV wordt voor begraafplaatsen en crematoria een minimumaantal van 15 tot 30 parkeerplaatsen aanbevolen. Volgens het college blijkt voorts uit landelijke ervaringscijfers dat gemiddeld 60 auto’s van bezoekers bij een uitvaartplechtigheid te verwachten zijn. Nu de inrichting beschikt over een parkeerterrein met 100 plaatsen, is er volgens het college voldoende parkeergelegenheid voor zowel bezoekers van plechtigheden als voor personeel (ongeveer 20 personen), leveranciers en bezoekers van het mortuarium (ongeveer 15 personen).

2.10.2. Volgens de aanvraag is in de inrichting een parkeerterrein met 100 parkeerplaatsen aanwezig. Het aantal parkeerplaatsen is derhalve aanzienlijk hoger dan het in de ASVV aanbevolen minimumaantal. Voorts is niet gebleken dat de ervaringscijfers waarop het college zich mede heeft gebaseerd onjuist zijn. Het college heeft er daarom in redelijkheid van kunnen uitgaan dat het aantal van 100 parkeerplaatsen voor bezoekers van plechtigheden, personeel, leveranciers en bezoekers van het mortuarium voldoende is om parkeeroverlast in de omgeving van de inrichting te voorkomen. Daarbij is mede van belang dat Dela op grond van de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, gehouden is de plechtigheden zodanig te plannen, dat bezoekers van opeenvolgende plechtigheden niet gelijktijdig aanwezig zullen zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

Emissies van schadelijke stoffen

2.11. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] voeren aan dat ten aanzien van emissies van schadelijke stoffen, in het bijzonder dioxinen en kwik, niet de beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.11.1. Het college heeft bij het nemen van het bestreden besluit aansluiting gezocht bij de Nederlandse emissierichtlijn lucht (InfoMil 2006; hierna: de NeR). De NeR is in tabel 2 van de bijlage bij de Regeling aanwijzing bbt-documenten aangewezen als document waarmee het bevoegd gezag rekening moet houden bij het bepalen van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

Paragraaf 1 van de vergunningvoorschriften bevat eisen ten aanzien van de crematieoven, het verbrandingsproces, de emissies en metingen. Deze voorschriften zijn in overeenstemming met hetgeen wordt aanbevolen in bijzondere regeling F3 (Crematoria) van de NeR. Daarnaast bevatten de voorschriften emissiegrenswaarden voor kwik en dioxinen. De emissiegrenswaarde voor kwik in voorschrift 1.30 komt overeen met de waarde die in bijzondere regeling F3 is vermeld. In bijzondere regeling F3 is verder vermeld dat daarin voor dioxinen geen specifieke emissie-eis is opgenomen, omdat bij toepassing van de in de bijzondere regeling beschreven maatregelen kan worden voldaan aan de algemene emissie-eisen uit paragraaf 3.2.1 van de NeR. De emissiegrenswaarden voor dioxinen en furanen in voorschrift 1.32 komen overeen met deze algemene emissie-eisen. Volgens het deskundigenbericht kunnen de emissiegrenswaarden voor kwik en dioxinen in de voorschriften 1.30 en 1.32 met de toegepaste technieken worden nageleefd.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor de emissies van kwik en dioxinen ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Deze beroepsgrond faalt.

Calamiteiten

2.12. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat onvoldoende is gegarandeerd dat bij calamiteiten geen onaanvaardbare hoeveelheden schadelijke stoffen vrijkomen. Ook betogen zij dat door Dela een calamiteitenplan had moeten worden overgelegd.

2.12.1. Volgens het college zijn de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende om het functioneren van de installatie te waarborgen. Daarnaast stelt het college zich op het standpunt dat in de artikelen 17.1 en volgende van de Wet milieubeheer reeds een toereikende regeling voor ongewone voorvallen is opgenomen. Voorts heeft het college in het bestreden besluit overwogen dat de aanvraag, in het bijzonder paragraaf 11.3, reeds voldoende informatie bevat met betrekking tot storingen en de daarbij te treffen maatregelen, zodat het verstrekken van verdere informatie door middel van een calamiteitenplan door Dela niet noodzakelijk was.

2.12.2. Ingevolge artikel 5.4 van het Ivb verstrekt de aanvrager, voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, bij de aanvraag gegevens met betrekking tot:

a. voorvallen, als bedoeld in artikel 17.1 van de wet, die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten;

b. de belasting van het milieu, die die voorvallen kunnen veroorzaken;

c. de aard en de omvang van de bij die voorvallen te onderscheiden vormen van belasting van het milieu;

d. de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting ten gevolge van die voorvallen kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken.

2.12.3. In paragraaf 1 van de vergunningvoorschriften zijn voorschriften opgenomen die een goede werking van de installatie moeten garanderen. Deze voorschriften voldoen aan de aanbevelingen in bijzondere regeling F3 van de NeR, zodat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften hiervoor toereikend zijn.

Hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer en de aan de vergunning verbonden voorschriften 6.13 en volgende bevatten een regeling over het treffen van maatregelen en de meldingsplicht bij ongewone voorvallen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in redelijkheid kunnen afzien van het stellen van verdere voorschriften inzake calamiteiten. Daarbij is mede van belang dat volgens het deskundigenbericht de emissies bij calamiteiten feitelijk niet te beperken zijn en het opleggen van emissie-eisen voor een dergelijke situatie geen toegevoegde waarde heeft.

Nu de aanvraag reeds informatie bevat over storingen aan de installatie en de te treffen maatregelen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college in aanvulling daarop op grond van artikel 5.4 van het Ivb bij de aanvraag een calamiteitenplan had moeten verlangen.

Deze beroepsgrond faalt.

Geurhinder

2.13. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] vrezen geurhinder ten gevolge van de crematies.

2.13.1. Volgens het college is het niveau van geurhinder acceptabel, nu de oven voldoet aan de eisen van bijzondere regeling F3 van de NeR.

2.13.2. In bijzondere regeling F3 van de NeR is geen aanvullende concentratie-eis voor geurhinder bij crematoria opgenomen. Voorts is in het deskundigenbericht vermeld dat door de zeer hoge verbrandingsefficiëntie van de crematieoven een vrijwel volledige verbranding plaatsvindt, zodat de geuremissie zeer beperkt zal zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanvullende voorschriften nodig zijn ter bescherming tegen geurhinder vanwege de inrichting.

Deze beroepsgrond faalt.

Besluit luchtkwaliteit 2005

2.14. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat onzeker is of kan worden voldaan aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op grond van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005), zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidde. Zij stellen zich op het standpunt dat het onderzoek dat bij de aanvraag is gevoegd, geen representatief beeld geeft van de gevolgen van het in werking zijn van de inrichting voor de luchtkwaliteit in de omgeving.

In dit verband voeren zij in de eerste plaats aan dat de bijdragen van de crematies en van de vervoersbewegingen cumulatief hadden moeten worden beschouwd. Voorts is volgens hen het aantal verkeersbewegingen te laag ingeschat; met name betogen zij dat één vrachtwagenbeweging per dag een onderschatting is. Daarnaast betogen zij dat de invloed van de rijksweg A73 en de zogeheten Oosttangent niet in het onderzoek is betrokken. Ten slotte is volgens hen onvoldoende rekening gehouden met het feit dat het crematorium ten opzichte van de nabijgelegen woningen in een dal ligt.

2.14.1. Het college betoogt dat het onderzoek dat bij de aanvraag is gevoegd representatief is. Op grond van dit onderzoek kan volgens het college worden geconcludeerd dat de grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide op grond van het Blk 2005, zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidde, niet worden overschreden.

2.14.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, (oud) van het Blk 2005, voor zover hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit de in de artikelen 15 en 20 genoemde grenswaarden voor stikstofdioxide onderscheidenlijk zwevende deeltjes in acht.

Ingevolge artikel 15 (oud) van het Blk 2005 gelden voor stikstofdioxide de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 200 μg/m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden;

b. 40 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

Ingevolge artikel 20 (oud) van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 μg/m3 als vierentwintiguurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.14.3. Bij de aanvraag is een tweetal luchtkwaliteitsonderzoeken gevoegd, te weten de rapporten "Toetsing Besluit luchtkwaliteit voor Crematorium ‘Tussen de Bergen’ te Roermond" en "Toetsing Besluit luchtkwaliteit voor verkeersbewegingen crematorium ‘Tussen de Bergen’ te Roermond" van Tebodin B.V. van 5 december 2006. In het laatstgenoemde rapport zijn de bijdragen van de crematieoven en van de vervoersbewegingen bij elkaar opgeteld. Voor zover [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben betoogd dat deze bijdragen niet zijn gecumuleerd, missen hun beroepen derhalve feitelijke grondslag.

In het onderzoek "Toetsing Besluit luchtkwaliteit voor verkeersbewegingen crematorium ‘Tussen de Bergen’ te Roermond" is uitgegaan van maximaal 1000 voertuigbewegingen per dag, op basis van maximaal vijf plechtigheden per dag en maximaal 100 personenvoertuigen per plechtigheid. Op grond van ervaringscijfers verwachten Dela en het college een aanzienlijk lager aantal voertuigen. Mede gezien het deskundigenbericht kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat het genoemde aantal verkeersbewegingen van personenauto’s geen onderschatting is. Verder leidt de Afdeling uit de aanvraag, waaronder het daartoe behorende akoestisch rapport, af dat slechts één vrachtwagenbeweging per dag is aangevraagd en vergund. Reeds hierom hoefde het college bij de beslissing op de aanvraag niet met een groter aantal vrachtwagenbewegingen rekening te houden. Uit de stukken blijkt dat in het onderzoek geen rekening is gehouden met deze vrachtwagenbeweging; de bijdrage daarvan aan de concentraties zwevende deeltjes en stikstofdioxide is volgens het deskundigenbericht echter verwaarloosbaar.

Volgens het deskundigenbericht is in de luchtkwaliteitsonderzoeken slechts gedeeltelijk rekening gehouden met de bijdrage van de A73. Gezien hetgeen hierover in het deskundigenbericht is vermeld, acht de Afdeling het echter aannemelijk dat de concentraties zwevende deeltjes en stikstofdioxide in de omgeving van de inrichting zodanig laag zijn, dat de grenswaarden op grond van het Blk 2005 (oud) ook kunnen worden nageleefd wanneer de bijdrage van de A73 in aanmerking wordt genomen.

In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat het effect van de dalligging van het crematorium op de luchtkwaliteit te verwaarlozen is. Volgens het college blijkt uit emissieberekeningen bij een soortgelijke installatie dat de afgassen uit de schoorsteen een hoogte van maximaal 37 meter kunnen bereiken. Mede vanwege de hoogte van het emissiepunt (ongeveer 7 meter boven het peil van het gebouw) en het geringe hoogteverschil tussen het crematoriumgebouw en de dichtstbijzijnde woningen is er volgens het college voldoende spreiding van de afgassen. Het komt de Afdeling aannemelijk voor dat de dalligging van het crematorium niet leidt tot hogere concentraties verontreiniging in de directe omgeving van de inrichting dan waarvan in de onderzoeken naar de luchtkwaliteit is uitgegaan.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de bij de aanvraag gevoegde luchtkwaliteitsonderzoeken, waarin wordt geconcludeerd dat de grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide op grond van het Blk 2005 (oud) niet worden overschreden.

Deze beroepsgrond faalt.

Geluidhinder vanwege de activiteiten in de inrichting

2.15. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en CML vrezen geluidhinder vanwege de activiteiten in de inrichting.

CML voert aan dat de inrichting binnen de zone ligt die rond het gezoneerde industrieterrein "Heide Roerstreek" is vastgesteld. Volgens CML is onvoldoende onderzocht of de zonegrenswaarde zal worden overschreden. Eveneens is volgens CML onvoldoende onderzocht of de activiteiten van Dela zullen leiden tot verhoging van geluidbelasting op gevel van woningen die binnen de zone zijn gelegen.

[appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] voeren aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met cumulatie van geluidhinder ten gevolge van de nabijgelegen begraafplaats, de rijksweg A73 en de activiteiten op het gezoneerde industrieterrein "Heide Roerstreek".

Voorts vrezen [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] hinder door laagfrequent geluid ter plaatse van de nabijgelegen woningen.

[appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en CML betogen verder dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd, omdat het akoestisch rapport dat bij de aanvraag is gevoegd geen juist beeld geeft van de geluidbelasting vanwege de inrichting. In dit verband betogen [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] onder meer dat het aantal vervoersbewegingen op het terrein van de inrichting te laag is ingeschat. Volgens hen is in het akoestisch rapport ten onrechte van slechts één vrachtwagenbeweging per dag uitgegaan. Daarnaast is het aantal vervoersbewegingen van bezoekers volgens hen te laag ingeschat. [appellant sub 4] voert aan dat er ten onrechte van is uitgegaan dat in de nachtperiode geen vervoersbewegingen plaatsvinden, omdat het mortuarium ook ’s nachts kan worden bezocht. Daarnaast voeren [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en CML aan dat in het akoestisch rapport ten onrechte is aangenomen dat de voertuigen op de eigen weg van de inrichting een snelheid van 10 km/uur hebben. Dit is volgens hen onjuist, omdat niet alle voertuigen die de inrichting bezoeken en verlaten deel uitmaken van een rouwstoet. Voorts betogen [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5] en CML dat er ten onrechte van is uitgegaan dat enkele maatgevende geluidbronnen niet permanent in werking zijn. Ten slotte betogen [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] dat bij de berekening van de geluidbelasting onvoldoende rekening is gehouden met de dalligging van het crematorium.

2.15.1. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder vanwege de activiteiten binnen de inrichting heeft het college voorschrift 11.2 aan de vergunning verbonden. In dit voorschrift zijn grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting. Bij de beoordeling van geluidhinder vanwege de inrichting heeft het college aansluiting gezocht bij hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking).

Op grond van onderzoek dat bij een gelijksoortige inrichting is uitgevoerd, acht het college het niet aannemelijk dat buiten de inrichting hinder door laagfrequent geluid zal optreden.

Het college stelt zich op het standpunt dat het akoestisch rapport een representatief beeld geeft van de geluidbelasting vanwege de inrichting. Het aantal vervoersbewegingen is volgens het college niet te laag ingeschat en bezoek van het mortuarium in de nachtperiode zal slechts incidenteel plaatsvinden. Volgens het college is er in het akoestisch rapport verder terecht van uitgegaan dat voertuigen op de eigen weg van de inrichting in een rouwstoet aankomen, met een snelheid van ongeveer 10 km/uur. Voorts zijn volgens het college de meest maatgevende geluidbronnen in het akoestisch onderzoek betrokken, namelijk de koelcompressor, de airconditioning en de dakventilator. Het college stelt dat de airconditioning en de dakventilator slechts een gedeelte van de tijd in werking zijn, omdat ze uitsluitend worden gebruikt zodra de temperatuur in het gebouw een bepaalde hoogte bereikt en worden uitgeschakeld wanneer de temperatuur voldoende is gedaald. De percentages die hiervoor in het akoestisch rapport zijn gehanteerd, zijn gebaseerd op ervaringscijfers van Dela en zijn volgens het college realistisch. Ten aanzien van de dalligging betoogt het college dat het hoogteverschil in dit geval zodanig is, dat daarvoor volgens het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 geen hellingcorrectie behoeft te worden toegepast.

2.15.2. Uit de stukken blijkt dat de inrichting is gelegen binnen de zone die op grond van de Wet geluidhinder is vastgesteld rond het industrieterrein "Heide Roerstreek." De inrichting ligt echter niet op het gezoneerde industrieterrein zelf. Aangezien de zonegrenswaarde uitsluitend betrekking heeft op de geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein, behoefde de geluidbelasting vanwege de inrichting niet aan deze grenswaarde te worden getoetst.

2.15.3. Voor zover is aangevoerd dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met cumulatie van geluidhinder ten gevolge van de nabijgelegen begraafplaats, de rijksweg A73 en de activiteiten op het gezoneerde industrieterrein "Heide Roerstreek", overweegt de Afdeling dat in de Handreiking - waarop het college zich heeft gebaseerd - niet wordt voorgeschreven dat bij het stellen van geluidgrenswaarden rekening moet worden gehouden met de geluidbelasting van reeds aanwezige bedrijven in de omgeving of met verkeerslawaai. In zoverre ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het college de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau in voorschrift 11.2 niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

2.15.4. Volgens het deskundigenbericht is het vanwege het beperkte vermogen van de mogelijke bronnen van laagfrequent geluid die in de inrichting aanwezig zijn, niet aannemelijk dat buiten de inrichting laagfrequent geluid waarneembaar zal zijn. Het college kon er daarom in redelijkheid van afzien hierover voorschriften aan de vergunning te verbinden.

2.15.5. Ten aanzien van de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden overweegt de Afdeling het volgende.

Zoals onder 2.14.3 reeds is overwogen, volgt uit de aanvraag dat slechts één vrachtwagenbeweging per dag is aangevraagd en vergund. Reeds hierom hoefde het college bij de beslissing op de aanvraag geen rekening te houden met een groter aantal vrachtwagenbewegingen dan in het akoestisch rapport is vermeld.

Het akoestisch onderzoek gaat voor de dag- en de avondperiode uit van 60 personenvoertuigen per plechtigheid bij maximaal vijf plechtigheden per dag, alsmede van enkele vervoersbewegingen van personeel, leveranciers en bezoekers van het mortuarium. Mede gezien het deskundigenbericht kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat het genoemde aantal verkeersbewegingen geen onderschatting is. De Afdeling acht het verder aannemelijk dat het mortuarium in de nachtperiode slechts incidenteel zal worden bezocht en dat dit niet leidt tot een overschrijding van de geluidgrenswaarden.

In het akoestisch rapport is ervan uitgegaan dat enkele belangrijke geluidbronnen niet permanent in werking zijn. Het betreft de airconditioning en de dakventilator, waarvoor een bedrijfsduur van 75% onderscheidenlijk 50% als uitgangspunt is genomen. Nu de airconditioning en de dakventilator uitsluitend worden gebruikt als de temperatuur in het gebouw een bepaalde waarde overschrijdt, kan naar het oordeel van de Afdeling worden aangenomen dat deze geluidbronnen niet gedurende de gehele etmaalperiode in werking zijn. Met name acht de Afdeling het aannemelijk dat deze bronnen in de nachtperiode niet of minder in gebruik zijn. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5] en CML hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde percentages voor de bedrijfsduur onjuist zijn.

Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat in het akoestisch rapport voor de voertuigen op de eigen weg van de inrichting ten onrechte is uitgegaan van een rijsnelheid van 10 km/uur, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens het deskundigenrapport zijn deze voertuigbewegingen overeenkomstig methode C-8 van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als op een rijlijn gelegen bronpunten ingevoerd in het rekenmodel. Daarbij wordt de bedrijfsduur gedurende welke deze individuele bronpunten geluid uitstralen, berekend aan de hand van de rijsnelheid en de afstand tussen de individuele bronpunten. Aangezien bij een hogere rijsnelheid de bedrijfsduur afneemt, leidt het modelleren van een hogere rijsnelheid volgens het deskundigenbericht tot een lagere geluidbelasting ter hoogte van de nabijgelegen woningen. De Afdeling leidt hieruit af dat, indien een gedeelte van de voertuigbewegingen binnen de inrichting plaatsvindt met een hogere snelheid dan 10 km/uur, de geluidbelasting op de woningen niet hoger, maar lager is dan in het akoestisch rapport is berekend. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet op het akoestisch rapport heeft kunnen baseren.

Mede gezien het deskundigenbericht acht de Afdeling het voorts aannemelijk dat het hoogteverschil tussen de inrichting en de omliggende woningen zodanig is, dat dit niet van invloed is op de vastgestelde geluidniveaus. Ook in zoverre ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit niet op het akoestisch rapport heeft kunnen baseren.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college op grond van het akoestisch rapport heeft kunnen concluderen dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd.

Deze beroepsgrond faalt.

Geluidhinder vanwege verkeer van en naar de inrichting

2.16. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] vrezen voor geluidhinder ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting.

2.16.1. In voorschrift 11.4 is bepaald dat het equivalente geluidniveau vanwege het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van woningen van derden niet meer mag bedragen dan 50 dB(A) in de dagperiode en 45 dB(A) in de avondperiode.

2.16.2. Bij de beoordeling van geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting, kunnen alleen de verkeersbewegingen worden betrokken die aan de inrichting zijn toe te rekenen. Anders dan deze appellanten hebben betoogd, dient geluidhinder die wordt veroorzaakt door verkeer van en naar onder meer de begraafplaats in dit verband dan ook buiten beschouwing te blijven.

Het college heeft zich bij de beoordeling van geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting gebaseerd op de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de circulaire). In de circulaire wordt voor het equivalente geluidniveau ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting een voorkeursgrenswaarde aanbevolen van 50 dB(A) etmaalwaarde. De in voorschrift 11.4 opgenomen grenswaarden gaan de voorkeursgrenswaarde niet te boven. Het college heeft deze grenswaarden dan ook in redelijkheid toereikend kunnen achten ter bescherming tegen geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting.

Deze beroepsgrond faalt.

Lichthinder

2.17. [appellant sub 5] voert aan dat lichthinder zal ontstaan, doordat koplampen van auto’s op de eigen weg van de inrichting in nabijgelegen woningen naar binnen schijnen. Dit effect wordt volgens hem versterkt doordat het terrein licht glooiend is. Hij stelt dat het college het hoogteverschil tussen de weg en de woning niet juist heeft vastgesteld.

2.17.1. Het college betoogt dat vergunningvoorschrift 6.16 toereikend is om directe lichthinder te voorkomen. In dit voorschrift is het volgende bepaald: "De toegangsweg tot het crematorium dient zodanig te zijn aangelegd dat ter plaatse van de woningen nabij het aansluitpunt Kitskensdal/toegangsweg tot het crematorium geen directe lichthinder wordt veroorzaakt ten gevolge van de voertuigen die de inrichting verlaten c.q. bezoeken."

2.17.2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat het hoogteverschil tussen de in- en uitrit en de woningen die mogelijk lichthinder ondervinden, gering is. Uit voorschrift 6.16 volgt dat lichthinder door koplampen van auto’s die de eigen weg van de inrichting verlaten, dient te worden voorkomen. Gesteld noch gebleken is dat dit voorschrift niet kan worden nageleefd. Het college heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 6.16 een toereikende bescherming biedt tegen lichthinder.

Deze beroepsgrond faalt.

2.18. De beroepen zijn ongegrond.

2.19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld   w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

483.