Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200701114/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 18 december 2006, kenmerk DRM/ARW/06/12406A, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) medegedeeld dat het bij besluit van 20 september 2005 door de raad van de gemeente Schiedam (hierna: de raad) vastgestelde bestemmingsplan "Nieuwland 2004" van rechtswege is goedgekeurd.

Wetsverwijzingen
Besluit luchtkwaliteit 2005
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/276

Uitspraak

200701114/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Huurdersvereniging Spieringshoekflat, gevestigd te Schiedam,

2. [appellant sub 2], wonend te Schiedam,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 18 december 2006, kenmerk DRM/ARW/06/12406A, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) medegedeeld dat het bij besluit van 20 september 2005 door de raad van de gemeente Schiedam (hierna: de raad) vastgestelde bestemmingsplan "Nieuwland 2004" van rechtswege is goedgekeurd.

Hiertegen hebben de vereniging Huurdersvereniging Spieringshoekflat (hierna: de huurdersvereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2007, en [appellant sub 2], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 februari 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De raad, de huurdersvereniging en [appellant sub 2] hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vernieuwde Stad B.V. (hierna: Vernieuwde Stad) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ABB Ontwikkeling B.V. (hierna: ABB) zijn op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toegelaten om als partij aan het geding deel te nemen.

De raad, Vernieuwde Stad en ABB hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2008, waar de huurdersvereniging, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door drs. L. Berkemeijer, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, Vernieuwde Stad en ABB, vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton, werkzaam bij Cleton&Com.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb dient te worden onderzocht of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast dient er op toe te worden gezien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. De beroepen van de huurdersvereniging en [appellant sub 2] richten zich tegen de in het plan voorziene nieuwbouw, bestaande uit een woontoren met maximaal 22 bouwlagen en grondgebonden woningen, ter plaatse van de zogenoemde Spieringshoek.

2.3. De huurdersvereniging en [appellant sub 2] stellen dat de nieuwbouw in de Spieringshoek leidt tot ernstige aantasting van de natuurwaarden. In dit verband voeren zij aan dat voor verwezenlijking van de nieuwbouw een groot areaal bosplantsoen moet worden gekapt. Voorts is volgens hen de in het plan voorziene ecologische zone langs de Poldervaart onvoldoende breed. Verder zijn zij van mening dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de waarde van het Poldervaartgebied. [appellant sub 2] voert in dit kader aan dat bij afweging van de betrokken belangen ten onrechte groot gewicht aan de regionale woningbehoefte is gehecht. De huurdersvereniging is voorts van mening dat de hoogte van de in het plan voorziene woontoren in stedenbouwkundig opzicht niet passend is.

2.3.1. In de uitspraak van 1 augustus 2007, zaaknummer 200609295/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat het betoog van de huurdersvereniging dat het bouwplan voor een woontoren met 116 appartementen en 36 grondgebonden woningen waarvoor bij besluiten van 21 december 2004 en 11 januari 2005 vrijstelling en bouwvergunning is verleend, de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden rondom de Poldervaart aantast, faalt en dat aannemelijk is geworden dat het aanhouden van een 30 meter brede zone vanuit het hart van de Poldervaart voldoende is om de Poldervaart te laten functioneren als ecologische verbindingszone.

In hetgeen de huurdersvereniging en [appellant sub 2] in het onderhavige beroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

Vast staat dat ten gevolge van de verwezenlijking van de in het plan voorziene nieuwbouw een deel van de ter plaatse bestaande bosplantsoenen moet worden verwijderd. Niet is gebleken dat aan de desbetreffende bosplantsoenen grote landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarde toekomt.

In de zienswijzennota is door het gemeentebestuur van Schiedam vermeld dat uit zowel de "Woonvisie Zuid-Holland 2005-2014" als uit de regionale Woonvisie volgt dat er sprake is van een aanzienlijk tekort aan woningen in de Stadsregio Rotterdam waarvan Schiedam deel uitmaakt. Gelet hierop voorzien de in het plan mogelijk gemaakte woningen in een bestaande behoefte aan nieuwbouwwoningen. De raad heeft in redelijkheid een groter gewicht kunnen hechten aan het belang dat wordt gediend met de aldus mogelijk gemaakte woningbouw dan aan het belang bij het behoud van de ter plaatse bestaande bosplantsoenen.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt de wijk Nieuwland, waarvan de Spieringshoek deel uitmaakt gekenmerkt door een bebouwing die in hoogte varieert. Vast staat dat de in het plan voorziene woontoren met een hoogte van ongeveer 70 meter aanzienlijk hoger zal zijn dan de bebouwing in de directe omgeving. De huurdersvereniging en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de hoogte van dit gebouw, in aanmerking genomen de bestaande variatie in bouwhoogten in de wijk Nieuwland, leidt tot een ernstige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.

2.4. [appellant sub 2] voert aan dat in de directe omgeving van de woontoren ernstige windhinder zal kunnen ontstaan en het ten behoeve van de voorbereiding van het plan uitgevoerde onderzoek naar windhinder zich ten onrechte beperkt tot windhinder ter hoogte van de gebouwen van de scholengemeenschap.

2.4.1. Uit het rapport "bebouwing rond bouwplan Spieringshoek te Schiedam - Windhinder" van Dosserblesgraaf van 29 november 2004 volgt dat de gehanteerde grenswaarden voor windgevaar niet zullen worden overschreden. [appellant sub 2] voert terecht aan dat deze bevindingen uitsluitend zien op het optreden van windgevaar en windhinder ter plaatse van de gebouwen van de scholengemeenschap en geen betrekking hebben op de onmiddellijke nabijheid van de woontoren.

In het deskundigenbericht is vermeld dat zich in de directe omgeving van de woontoren meerdere flatgebouwen bevinden met een hoogte van 30 meter of meer en dat de woontoren, wat betreft het mogelijk ontstaan van windgevaar of windhinder, geen sterk afwijkend element in de omgeving zal vormen. Verder kunnen volgens het deskundigenbericht afdoende maatregelen ter beperking van windhinder en voorkoming van windgevaar worden genomen. Het bestemmingsplan staat hieraan niet in de weg. Ter zitting is onweersproken gesteld dat bij de verleende en inmiddels onherroepelijke bouwvergunning maatregelen zijn voorgeschreven ter voorkoming van windhinder. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor ernstige windhinder en windgevaar niet behoeft te worden gevreesd.

2.5. [appellant sub 2] stelt dat het plan in strijd met de nota "Regels voor Ruimte" leidt tot aantasting van de molenbiotoop van de Babbersmolen.

2.5.1. In de door het college op 8 maart 2005 vastgestelde nota "Regels voor Ruimte" is vermeld dat voor traditionele windmolens, aangemerkt als rijksmonument (zijnde complete en incomplete molens, maar niet zijnde molenstompen en molenrestanten), de vrije windvang en het zicht op de molen voldoende moeten zijn gegarandeerd. Voorts is daarin, voor zover thans van belang, vermeld dat in het stedelijk gebied de maximale hoogte van de bebouwing/beplanting niet hoger mag zijn dan 1/30 van de afstand tussen bouwwerk/beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. In situaties waarin de vrije windvang en het zicht op de molen reeds beperkt zijn door bebouwing is afwijking van bovengenoemd criterium mogelijk, mits de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt.

2.5.2. De Babbersmolen, een rijksmonument, is een incomplete molen waarvan de kap en de wieken ontbreken. De molen staat op ongeveer 215 meter ten westen van het bouwvlak voor de woontoren. In het deskundigenbericht is vermeld dat de Babbersmolen is omringd door bebouwing en begroeiing die het zicht op en de vrije windvang van de molen belemmeren. Voorts is daarin vermeld dat de verder van de molen staande hoge flats in de wijk Nieuwland de windvang eveneens belemmeren. Gezien de overheersende zuidwestelijke windrichting en de hoogbouw in de wijk Nieuwland zal de woontoren de toch al beperkte windvang van de molen niet verder doen beperken, aldus het deskundigenbericht. Gelet hierop heeft de raad zich bij de vaststelling van het plan in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan opgenomen woontoren niet zal leiden tot een verdere aantasting van de molenbiotoop van de Babbersmolen.

2.6. De huurdersvereniging en [appellant sub 2] stellen dat het plan leidt tot verslechtering van een reeds overbelaste verkeerssituatie en verslechtering van de verkeersveiligheid. Volgens de huurdersvereniging is uitgegaan van een te laag aantal verkeersbewegingen en leidt de ontsluiting van het Poldervaartpad op de Burgemeester van Haarenlaan tot congestie op deze laan. Voorts stelt de huurdersvereniging dat in de huidige situatie regelmatig sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen ten gevolge van activiteiten in de avond op de scholengemeenschap en dat dit tekort ten gevolge van de in het plan voorziene woningbouw zal toenemen.

2.6.1. In de zienswijzennota is vermeld dat met het plan, voor zover thans van belang, wordt beoogd 36 grondgebonden woningen mogelijk te maken en 116 appartementen. Bij de beoordeling van de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat is de raad uitgegaan van een toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de nieuwbouw van 882 per etmaal. De huurdersvereniging heeft haar stelling dat is uitgegaan van een te laag aantal verkeersbewegingen niet met feiten en omstandigheden onderbouwd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van dit aantal verkeersbewegingen is kunnen uitgaan.

Op de plankaart is aangegeven dat de in het plan voorziene nieuwbouw een eigen ontsluiting krijgt via het Poldervaartpad op de Burgemeester van Haarenlaan. De huurdersvereniging en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze ontsluiting zal leiden tot congestie op de Burgemeester van Haarenlaan. Het Poldervaartpad is bedoeld als ontsluiting voor de nieuwbouwwoningen en zal tevens worden gebruikt voor de ontsluiting van de ten zuidwesten van het plangebied liggende begraafplaats en het tennisterrein. Het Poldervaartpad heeft geen functie als doorgaande weg. Gelet hierop zal de snelheid van het gemotoriseerde verkeer ter plaatse beperkt zijn. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet leidt tot verslechtering van de verkeersveiligheid.

De raad is voor de beoordeling van het aantal benodigde parkeerplaatsen uitgegaan van een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per grondgebonden woning en 1,2 parkeerplaats per appartement in de woontoren. Het standpunt van de huurdersvereniging dat de raad ten onrechte is uitgegaan van een parkeernorm voor de appartementen van 0,6 mist dan ook feitelijke grondslag. De huurdersvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat met de aldus in aanmerking genomen parkeernormen onvoldoende in de parkeerbehoefte zal kunnen worden voorzien. Het plan voorziet in de aanleg van parkeerplaatsen op de rondom de woontoren en grondgebonden woningen liggende gronden met de bestemming "Groendoeleinden 2". Niet gebleken is dat de ruimte op deze gronden onvoldoende is om het benodigde aantal parkeerplaatsen te kunnen verwezenlijken. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan zal leiden tot parkeerproblemen.

2.7. De huurdersvereniging stelt dat niet wordt voldaan aan de grenswaarden voor stikstofdioxide (hierna: NO2) en zwevende deeltjes (PM10) en dat de concentraties van deze stoffen ten gevolge van de nieuwbouw in de Spieringshoek toenemen. De huurdersvereniging voert in dit verband aan dat uit het luchtkwaliteitonderzoek van Witteveen en Bos onvoldoende blijkt of de verkeersbewegingen van de A4 zijn meegenomen en dat de in dit onderzoek gehanteerde aantallen verkeersbewegingen te laag zijn ingeschat. Voorts is in dit onderzoek ten onrechte uitgegaan van doorstromend stadsverkeer en is het Poldervaartpad ten onrechte buiten beschouwing gelaten, aldus de huurdersvereniging.

In reactie op het deskundigenbericht heeft de huurdersvereniging gesteld dat in het door DHV opgestelde luchtkwaliteitonderzoek ten onrechte is uitgegaan van andere verkeersgegevens dan die werden gebruikt bij het onderzoek van Witteveen en Bos. Voorts is de huurdersvereniging van mening dat ten onrechte een correctie op de berekende concentratie zwevende deeltjes (PM10) heeft plaatsgevonden door de concentratie van zwevende deeltjes (PM10) bestaande uit zeezout buiten beschouwing te laten.

Ter zitting heeft de huurdersvereniging aangevoerd dat uit het door DCMR Milieudienst Rijnmond opgestelde rapport "Rapportage Luchtkwaliteit 2006 van de gemeente Schiedam" volgt dat de luchtkwaliteit beduidend slechter is dan waarvan DHV in het onderzoek is uitgegaan.

2.7.1. Naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de in het plan voorziene nieuwbouw in de Spieringshoek is in 2005 onderzoek gedaan door Witteveen en Bos en in 2006 door DHV. Uit laatstgenoemd onderzoek blijkt dat de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) in de jaren 2007, 2010 en 2015 het meest wordt overschreden ter plaatse van de Burgemeester van Haarenlaan ZW. In 2007 wordt deze grenswaarde daar in de autonome situatie 33 keer en in de situatie inclusief het plan 35 keer per jaar overschreden. In de jaren 2010 en 2015 wordt deze grenswaarde in beide situaties 28 keer respectievelijk 26 keer overschreden. In het rapport is vermeld dat bij de berekeningen van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) een correctie van 6 dagen heeft plaatsgevonden voor de concentratie zwevende deeltjes (PM10) die zich van nature in de lucht bevinden. De Afdeling stelt vast dat in 2010 ook zonder toepassing van deze correctie, de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) niet meer dan 35 keer per jaar zal worden overschreden. Ter zitting is komen vast te staan dat de woontoren niet eerder dan in 2010 in gebruik zal worden genomen. Hieruit volgt dat ook zonder toepassing van deze correctie wordt voldaan aan het Blk 2005, zodat het standpunt van de huurdersvereniging dat de correctie niet zou mogen worden toegepast geen bespreking behoeft. Weliswaar zal een aantal grondgebonden woningen naar verwachting reeds in 2009 zijn gerealiseerd, maar gelet op het geringe aantal is niet aannemelijk dat in zoverre in 2009 een overschrijding van de grenswaarde zal optreden.

2.7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 1 augustus 2007 in zaakno. 200609295/1 is voldoende aannemelijk dat de gerealiseerde aansluiting van de Vlaardingerdijk op de A4 heeft geleid tot een afname van vrachtverkeer op de Burgemeester van Haarenlaan, waarmee het verschil in verkeersaantallen in het rapport van Witteveen en Bos en DHV kan worden verklaard. In het rapport van DHV is voorts vermeld dat is uitgegaan van 882 verkeersbewegingen per etmaal op het Poldervaartpad. Verder is in het rapport vermeld dat voor het verkeer op de Burgemeester van Haarenlaan is uitgegaan van zowel 882 verkeersbewegingen per etmaal in zuidwestelijke richting als 882 verkeersbewegingen per etmaal in noordoostelijke richting. Omdat verwacht moet worden dat een deel van de verkeersbewegingen in noordoostelijke richting zal plaatsvinden en een deel in zuidwestelijke richting is in het rapport derhalve uitgegaan van een overschatting van de toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de ter plaatse van de Spieringshoek voorziene woningbouw.

Voor zover de huurdersvereniging heeft aangevoerd dat uit het door DCMR Milieudienst Rijnmond opgestelde rapport volgt dat de luchtkwaliteit beduidend slechter is dan waarvan DHV is uitgegaan, overweegt de Afdeling dat de eerstgenoemde rapportage dateert van na het goedkeuringsbesluit en overigens slechts ziet op het jaar 2006. Deze rapportage, die is opgesteld in het kader van artikel 26 van het Blk 2005, biedt dan ook geen inzicht in de gevolgen van de verwezenlijking van het onderhavige plan voor de luchtkwaliteit voor de jaren waarop het plan betrekking heeft.

In hetgeen de huurdersvereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat niet van de conclusies in het rapport van DHV kan worden uitgegaan. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat niet aan de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor verontreinigende stoffen kan worden voldaan.

2.8. De conclusie is dat hetgeen de huurdersvereniging en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening behoefde te worden geacht dan wel anderszins in strijd is met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Taal

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

325-559.