Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7112

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200704665/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 23 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) de panden P. Waijerstraat 11 t/m 25, 11a t/m 25a, 27 t/m 61 en Olgerweg 52 t/m 82 (even nummers) krachtens de Monumentenverordening gemeente Groningen 2001 (hierna: de monumentenverordening) aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 15
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/263

Uitspraak

200704665/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Woonstade Hoogkerk Noorddijk, gevestigd te Groningen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/402 van de rechtbank Groningen van 4 juni 2007 in het geding tussen:

de stichting Stichting Woonstade Hoogkerk Noorddijk

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 23 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) de panden P. Waijerstraat 11 t/m 25, 11a t/m 25a, 27 t/m 61 en Olgerweg 52 t/m 82 (even nummers) krachtens de Monumentenverordening gemeente Groningen 2001 (hierna: de monumentenverordening) aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Bij besluit van 8 februari 2006 heeft het college het daartegen door de stichting Stichting Woonstade Hoogkerk Noorddijk (hierna: de stichting) gemaakte bezwaar overeenkomstig een advies van de ambtelijke commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 5 januari 2006 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2007, verzonden op 6 juni 2007, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door de stichting ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, bijgestaan door [medewerker], werkzaam bij de stichting, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Willems, bijgestaan door ir. C.J. van Haaften, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2 van de monumentenverordening wordt bij toepassing van de verordening rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerend monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, is het verboden zonder vergunning van het college of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen, te wijzigen, te herstellen, of te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

2.2. Het college heeft in de periode 1998-2003 onderzoek laten doen naar architectuur en stedenbouw uit de periode ongeveer 1940-1970 in de gemeente. Vervolgens zijn op grond van door het college vastgestelde criteria ongeveer 90 gebouwen/complexen en objecten uit die periode geselecteerd om te worden aangewezen als naoorlogs beschermd gemeentelijk monument. Daarbij is gestreefd naar een zo representatief en evenwichtig mogelijk overzicht van hetgeen in die periode is gebouwd.

Aan het besluit op bezwaar van 8 februari 2006 heeft het college ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven, dat met de aanwijzingen het algemeen belang is gediend en dat hoewel de status van beschermd gemeentelijk monument voor de stichting extra administratieve lasten kan meebrengen als zij wijzigingen aan de panden wil aanbrengen, deze niet onevenredig zijn in verhouding tot die doelstelling. Voorts heeft het college zich daarin op het standpunt gesteld dat uit de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2004 in zaak nr. 200303870/1 blijkt dat niet relevant is of het in een eerder stadium op de hoogte was van de nieuwbouwplannen van de stichting.

Ter zitting is van de zijde van het college verklaard dat is beoogd bij de aanwijzing van de naoorlogse panden als beschermd gemeentelijk monument rekening te houden met de wensen van de eigenaren en dat daarom tot 8 juni 2003 de sloopplannen van woningbouwverenigingen zijn geïnventariseerd. Mede op grond daarvan heeft het college in oktober 2003 de conceptlijst van aan te wijzen panden vastgesteld. Daarvan zijn nadien om verschillende redenen panden verwijderd. Het college heeft bij de aanwijzing van de panden van de stichting geen rekening gehouden met de sloopplannen van de stichting, omdat deze hem op 8 juni 2003 niet bekend waren. Het heeft geen rekening gehouden met na die datum verstrekte informatie over reeds voor die datum bestaande sloopplannen.

2.3. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de besluiten van 23 november 2004 in strijd met artikel 2 van de monumentenverordening zijn genomen, omdat het college daarbij geen rekening heeft gehouden met de door de stichting geplande verbouw of sloop van die panden. Zij bestrijdt de overweging van de rechtbank dat dit geen concrete plannen zijn en stelt dat zij van die plannen die, naar zij ter zitting heeft verklaard, reeds voor 8 juni 2003 bestonden, melding heeft gemaakt in haar zienswijze van 20 oktober 2003 en haar bezwaarschrift van 30 december 2004. Volgens de stichting heeft het college enkele andere monumentwaardige panden die op de lijst met aan te wijzen panden waren geplaatst niet aangewezen, omdat deze volgens het college in herstructureringsgebieden liggen en het geen zin heeft panden aan te wijzen die naar alle waarschijnlijkheid toch niet gehandhaafd kunnen worden. Zij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er voor die panden wel concrete sloopplannen zouden bestaan.

2.3.1. Het betoog slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat het college in het besluit van 8 februari 2006 niet heeft gemotiveerd waarom het bij de aanwijzing van de naoorlogse panden als beschermd gemeentelijk monument 8 juni 2003 als peildatum heeft gehanteerd voor het aanmelden van bestaande sloopplannen waarmee het bij die aanwijzing rekening zou houden. In de bijlage "Naoorlogse Monumenten" is dit uitgangspunt niet vermeld en ter zitting kon van de zijde van het college geen andere grond voor dit uitgangspunt worden gegeven. Dit gebrek klemt te meer nu de zienswijzen- en bezwarenprocedures mede bedoeld zijn om nieuwe feiten en omstandigheden in de besluitvorming te betrekken. In deze laatste procedure is het college op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gehouden een volledige heroverweging te verrichten. Het college heeft ook ten onrechte niet gemotiveerd waarom het bij het besluit van 8 februari 2006 geen rekening heeft gehouden met de stelling van de stichting dat al vóór 8 juni 2003 in haar interne voorraadbeheersplan sloopplannen waren opgenomen voor haar panden in de P. Waijerstraat en aan de Olgerweg die als beschermd gemeentelijk monument zijn aangewezen. De uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2004 in zaak nr. 200303870/1 biedt daarvoor, anders dan het college heeft aangenomen, geen aanknopingspunt, reeds omdat in die zaak het bestuursorgaan niet beoogde rekening te houden met bestaande sloopplannen van de eigenaar van het als beschermd monument aangewezen pand.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het door de stichting bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 8 februari 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Het college dient met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak een nieuw besluit op het door de stichting gemaakte bezwaar te nemen. Aan de behandeling van hetgeen de stichting verder in hoger beroep heeft aangevoerd komt de Afdeling onder deze omstandigheden niet meer toe.

2.5. Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 juni 2007 in zaak nr. 06/402;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 8 februari 2006, kenmerk DI 06.6567;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij de stichting in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.010,58 (zegge: duizendtien euro en achtenvijftig cent), waarvan € 966,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Groningen aan de stichting onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Groningen aan de stichting het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 709,00 (zegge: zevenhonderdnegen euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Groenendijk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

164-507.