Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200704452/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 20 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704452/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Op 20 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van

Noord-Holland (hierna: het college) over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Den Helder (hierna: de raad) bij besluit van 31 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Julianadorp Midden 2006" (hierna: het plan) besloten.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de gemeente Den Helder ingekomen op 12 juni 2007, beroep ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van Den Helder heeft het beroepschrift naar de Raad van State doorgezonden.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2008, waar [appellanten] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Tevens is daar de raad, vertegenwoordigd door H.J. Winter, ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge de artikelen 26 en 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover thans van belang, wordt het door de raad vastgestelde bestemmingsplan voor de duur van zes weken voor een ieder ter inzage gelegd en kunnen gedurende deze termijn bedenkingen worden ingebracht bij het college.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door de belanghebbende die tegen het bestemmingsplan bedenkingen heeft ingebracht bij het college.

Dit is slechts anders, indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bedenkingen heeft ingebracht.

2.2. [appellanten] hebben geen bedenkingen tegen het plan bij het college ingebracht. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat [appellanten] dat redelijkerwijs niet kan worden verweten in evenbedoelde zin. Dat zij, zoals zij stellen, niet persoonlijk op de hoogte zijn gesteld van de gewijzigde vaststelling van het plan en de bewoners van het hofje, waartoe zij behoren, geen inzage in het vastgestelde plan hebben gehad, leidt niet tot dat oordeel omdat in de WRO, noch in enig ander wettelijk voorschrift, is voorgeschreven dat het gemeentebestuur in een geval, als thans aan de orde, eventuele belanghebbenden van de terinzagelegging van een vastgesteld bestemmingsplan in kennis moet stellen en ook anderszins geen grond bestaat om zodanige verplichting aan te nemen.

Voorts heeft het vastgestelde plan volgens de niet betwiste publicaties met ingang van 16 februari 2007 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Daarbij is er op gewezen dat een ieder gedurende de terinzagelegging schriftelijk en mondeling bedenkingen bij het college kan indienen tegen de wijzigingen die de raad bij de vaststelling van het plan heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp ervan. Het was aan [appellanten] om er desgewenst voor te zorgen dat zij op de hoogte waren van gemeentelijke aankondigingen. Overigens blijkt uit hun brief van 30 januari 2007 aan de raad dat zij op de hoogte waren van het voornemen van de raad het plan gewijzigd vast te stellen.

2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Bosnjakovic

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

410-547.