Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7105

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200703562/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nederlek (hierna: het college) aan [appellant] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 11 april 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/271
M en R 2008, 78
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/3368

Uitspraak

200703562/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederlek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nederlek (hierna: het college) aan [appellant] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 11 april 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2008, waar [appellant], bijgestaan door ing. E.W. Lamberts, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. W.M. Logtenberg en ing. W.F. van Zinderen-Bakker, beiden werkzaam bij de Milieudienst Midden-Holland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de rechten die vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2.

2.2. [appellant] betoogt dat het college de vergunning ten onrechte gedeeltelijk heeft geweigerd voor een aantal stuks rundvee. [appellant] stelt dat hij voor dat vee, in tegenstelling tot hetgeen het college meent, over voldoende zogenoemde bestaande rechten beschikt. Verder heeft het college volgens hem bij de beoordeling van de stankhinder de bebouwing in de omgeving van de inrichting onjuist getypeerd.

2.2.1. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de richtlijn) gehanteerd. Voor de categorie-indeling heeft het college de brochure "Veehouderij en Hinderwet" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de brochure) toegepast.

2.2.2. In de richtlijn staat dat ter voorkoming van stankhinder van rundvee vaste afstanden van 100 meter tot categorie I- en categorie II-objecten moeten worden aangehouden. De dichtstbijstaande woningen van derden zijn volgens het college categorie II-objecten in de zin van de brochure, omdat zij moeten worden aangemerkt als verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het gebied een bepaalde woonfunctie verleent. Gezien de in het bestreden besluit en het verweerschrift weergegeven aard van de omgeving en de bebouwing daarin, heeft het college zich op goede gronden op dit standpunt kunnen stellen. Vast staat dat de rundveestallen waarvoor vergunning wordt gevraagd alle binnen 100 meter afstand van de omliggende woningen staan, zodat ten aanzien van het rundvee sprake is van een wat stank betreft overbelaste situatie.

Het college heeft gelet hierop de vergunning slechts willen verlenen voor zover [appellant] aan de eerder, bij besluit van 16 januari 1990, voor de inrichting verleende vergunning rechten voor het houden van rundvee kan ontlenen in de zin van artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer. Deze vergunning ziet, voor zover hier van belang, op het houden van 250 stuks melkrundvee. Nu in deze vergunning en de aanvraag daarvan geen voorbehoud is gemaakt, moet het ervoor worden gehouden dat, anders dan [appellant] betoogt, de 250 stuks melkrundvee het totale vergunde veebestand vormen. Dit veebestand bestaat uit zowel melkkoeien ouder dan twee jaar als vrouwelijk jongvee tot twee jaar. Indien, zoals hier, slechts het vergunde aantal stuks melkrundvee bekend is, moet worden uitgegaan van de gebruikelijke verhouding tussen melkkoeien en jongvee van 1 : 0,7. Hiervan uitgaande is in 1990 vergunning verleend voor het houden van 147 melkkoeien en 103 stuks jongvee. Het betoog van [appellant] ter zitting dat uit meitellingen blijkt dat de afgelopen jaren vrijwel voortdurend meer dan 147 melkkoeien en 103 stuks jongvee zijn gehouden maakt dit niet anders, nu bestaande rechten worden gebaseerd op eerder voor de inrichting verleende vergunning en niet op het feitelijk gehouden aantal dieren.

Gezien het voorgaande heeft het college terecht geconstateerd dat [appellant] aan de eerder verleende vergunning geen rechten kan ontlenen voor het houden van het totale rundveebestand waarvoor thans vergunning is gevraagd, te weten 250 melkkoeien en 75 stuks jongvee. Hij heeft de vergunning in zoverre op goede gronden gedeeltelijk kunnen weigeren.

Dit beroepsonderdeel faalt.

2.2.3. Het ter zitting door [appellant] gevoerde betoog dat vergunning had moeten worden verleend voor al het in de aanvraag genoemde melkrundvee met toepassing van de maatwerkbenadering als bedoeld in paragraaf 5 van de richtlijn faalt eveneens. Paragraaf 5 ziet op maatwerk voor inrichtingen waarvoor in het geheel geen vergunning geldt; dat is hier niet aan de orde.

2.2.4. [appellant] heeft tot slot met betrekking tot de gedeeltelijke geweigerde vergunning voor het rundvee aangevoerd dat in het bestreden besluit onduidelijk is geregeld welk vee mag worden gehouden.

Het college heeft ter zitting erkend dat hetgeen in het dictum van het besluit is bepaald over het toegestane aantal te houden rundvee en hetgeen daarover in vergunningvoorschrift 7.1 is geregeld niet met elkaar overeenkomt. Het bestreden besluit is wat dit betreft in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt.

2.3. [appellant] kan zich verder niet verenigen met de weigering van een vergunning voor het houden van paarden. Het houden van paarden zou nooit tot klachten hebben geleid. Bovendien wordt in ieder geval ten opzichte van één paardenstal voldaan aan de door het college als uitgangspunt gekozen minimaal aan te houden afstand.

2.3.1. Het college hanteert bij de beoordeling van de door het houden van paarden veroorzaakte stankhinder een vaste bestuurspraktijk die inhoudt dat ter voorkoming dan wel voldoende beperking van stankhinder de afstand tussen stallen en stankgevoelige objecten ten minste 50 meter moet bedragen. Het hanteren van dit uitgangspunt valt binnen de aan het college toekomende beoordelingsvrijheid. Dat, volgens [appellant], het houden van paarden niet tot klachten leidt of zal leiden, maakt dat niet anders.

Gezien dit uitgangspunt en gezien het feit dat aan de eerder voor de inrichting verleende vergunning geen rechten kunnen worden ontleend voor het houden van paarden, heeft het college op goede gronden kunnen besluiten vergunning te weigeren voor het houden van paarden op minder dan 50 meter afstand van stankgevoelige objecten. Ter zitting is echter gebleken dat ten aanzien van (paarden)stal 13 wordt voldaan aan de vereiste afstand van 50 meter. Gezien het door hem gehanteerde uitgangspunt heeft het college ten aanzien van die paardenstal ten onrechte geconcludeerd dat de vergunning vanwege stankhinder moet worden geweigerd. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

2.4. Ten aanzien van de gedeeltelijke weigering van vergunning voor het houden van dieren heeft [appellant] nog aangevoerd dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met het feit dat aan de eerder voor de inrichting verleende vergunning rechten kunnen worden ontleend voor het houden van 300 vleesvarkens.

Dit betoog mist feitelijke grondslag. In het bestreden besluit is aangegeven dat, gezien deze bestaande rechten, de gevraagde vergunning voor het houden van schapen en kippen niet wordt geweigerd ondanks de voor stank overbelaste situatie.

2.5. Voor zover [appellant] betoogt dat op grond van regels in het Besluit landbouw milieubeheer de vergunning niet gedeeltelijk had mogen worden geweigerd, overweegt de Afdeling dat deze algemene maatregel van bestuur niet van toepassing is op de inrichting in kwestie.

2.6. [appellant] betoogt dat in de vergunning ten onrechte de verplichting is opgenomen dat er een bodem- en grondwateronderzoek moet worden uitgevoerd bij het in gebruik nemen van opstal V.

2.6.1. Het college staat op het standpunt dat vanwege de grootschalige opslag van dieselolie in de nieuwe opstal V - in een tank van 12.000 liter en in twee tanks van ieder 900 liter - het gerechtvaardigd is een bodem- en grondwateronderzoek voor te schrijven. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant] betoogt dat voorschrift 7.17 ten onrechte aan de vergunning is verbonden. Hierin is bepaald dat een kuilvoeropslag van gras of snijmaïs moet zijn gelegen op ten minste vijf meter afstand van het oppervlaktewater. [appellant] stelt dat het op grond van de eerder verleende vergunning was toegestaan om kuilvoer op kortere afstand van de sloot op te slaan. Hij voert aan dat kosten zijn verbonden aan het verplaatsen van de opslagen. Verder betoogt [appellant] dat het kuilvoer en de snijmaïs wordt afgedekt met landbouwplastic, zodat er nauwelijks percolaat vrijkomt. Bovendien is nooit verontreiniging van het oppervlaktewater geconstateerd, aldus [appellant]. Volgens hem volstaat de huidige afstand van drie meter.

2.7.1. Het college acht het voorschrijven van een aan te houden afstand van vijf meter noodzakelijk om verontreiniging van het oppervlaktewater te voorkomen, te meer omdat [appellant] geen andere maatregelen heeft getroffen om het percolaat dat vrijkomt op te vangen. De kosten die met deze maatregel zijn gemoeid, acht het college niet zodanig hoog dat deze maatregel niet van [appellant] kan worden gevergd.

2.7.2. Dat aan de eerder verleende vergunning rechten kunnen worden ontleend voor het opslaan van kuilvoer, betekent niet dat aan die opslag bij het opnieuw vergunnen ervan geen eisen kunnen worden gesteld. Dat, zoals [appellant] stelt, tot nu toe geen verontreiniging van het oppervlaktewater heeft plaatsgevonden, brengt verder niet mee dat het college het niet nodig kan achten om voorschriften te stellen om de kans op een dergelijke verontreiniging in de toekomst te verkleinen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich met de eerder weergegeven motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 7.17 nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Het betoog van [appellant] dat nooit verontreiniging van het oppervlaktewater is geconstateerd, is in dit verband niet relevant. De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant] betoogt dat voorschrift 2.7 ten onrechte aan de vergunning is verbonden. In dit voorschrift is bepaald dat het ophalen van melk niet mag plaatsvinden tussen 19.00 en 07.00 uur. Volgens [appellant] was het ophalen van melk wel toegestaan op grond van de eerder voor de inrichting verleende vergunning.

2.8.1. Uit het bij de aanvraag om vergunning behorende geluidrapport kan worden afgeleid dat indien in de avond- en nachtperiode melk wordt opgehaald, de in de vergunning gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau aanzienlijk worden overschreden. Het college mocht hierin aanleiding zien om voor te schrijven dat deze activiteit niet mag plaatsvinden. De Afdeling merkt nog op dat onder de werking van de eerder voor de inrichting verleende vergunning het ophalen van melk in de avond- en nachtperiode evenmin mogelijk was, omdat in die vergunning gelijke grenswaarden voor het maximale geluidniveau waren opgenomen.

2.9. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het de tekst na het eerste gedachtestreepje in het dictum van het besluit en vergunningvoorschrift 7.1 betreft. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nederlek van 3 april 2007, kenmerk 08903.05, voor zover het de tekst na het eerste gedachtestreepje in het dictum van het besluit en vergunningvoorschrift 7.1 betreft;

III. bepaalt dat de volgende tekst in de plaats treedt van het dictum van het besluit voor zover dit is vernietigd: "de gevraagde vergunning gedeeltelijk te verlenen en gedeeltelijk te weigeren conform het bepaalde in vergunningvoorschrift 7.1";

IV. bepaalt dat het volgende vergunningvoorschrift 7.1 in de plaats treedt van het vergunningvoorschrift 7.1:

"In de inrichting mogen ten hoogste de navolgende aantallen dieren aanwezig zijn:

- 250 stuks rundvee (bestaande uit de diercategorieën A.1.6.1, A.1.6.2 en A3 tezamen) waarbij het aantal stuks jongvee (diercategorie A.3) maximaal 103 mag bedragen;

- 20 kippen (diercategorie E.2.14);

- 100 schapen (diercategorie B.1);

- 5 paarden in stal 13 (diercategorie K.1)."

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nederlek tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Nederlek aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de gemeente Nederlek aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

262-493.