Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200703553/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie] in [plaats]. Dit besluit is op 23 april 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden 3
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden 4
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 3
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/107 met annotatie van Bokelaar
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/1092

Uitspraak

200703553/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting VMDLT, gevestigd te Enschede,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie] in [plaats]. Dit besluit is op 23 april 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting VMDLT (hierna: de Stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2008, waar de Stichting, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door E. Kramer en A. Linnemans, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], bijgestaan door ing. C. de Vos, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft de Stichting het beroepsonderdeel over de afstand van de inrichting tot de woning Nachtegaallaan 63 ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Anders dan [vergunninghouder] ter zitting heeft gesteld hebben de beroepsonderdelen over de beste beschikbare technieken, de afstand tot de bedrijfswoning en de geluidvoorschriften betrekking op een besluitonderdeel waarover een zienswijze naar voren is gebracht. In zoverre is er geen grond voor niet-ontvankelijk verklaring van het beroep.

2.3. De Stichting voert aan dat ten aanzien van de bij de inrichting behorende bedrijfswoning niet wordt voldaan aan de op grond van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) vereiste afstand.

Deze beroepsgrond faalt. Gelet op het doel en de strekking van de Wet stankemissie moet deze aldus worden begrepen, dat de ingevolge deze wet aan te houden afstanden uitsluitend gelden voor buiten de inrichting gelegen stankgevoelige objecten.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.5. De Stichting betoogt dat het vergunde stalsysteem niet een beste beschikbare techniek in de zin van de Wet milieubeheer is.

2.5.1. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van nertsen in een stalsysteem waarbij de mest dagelijks wordt afgevoerd naar een gesloten mestopslag, Groen Labelstalsysteem nr. BB 94.02.013. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 november 2007 in zaak nr. 200701937/1) is dit het enige Groen Labelstalsysteem voor het houden van nertsen en is dit een gangbaar systeem. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college het vergunde stalsysteem in dit geval niet als een in aanmerking komende beste beschikbare techniek kon beschouwen. De beroepsgrond faalt.

2.6. De Stichting betoogt dat de vergunning had moeten worden geweigerd vanwege de bij het bestreden besluit vergunde toename van de ammoniakemissie.

2.6.1. In artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij is bepaald dat, kort weergegeven, bij beslissingen inzake de vergunning voor een veehouderij de gevolgen van de ammoniakemissie uitsluitend op de bij de wet aangegeven wijze worden betrokken.

In het derde lid is, voor zover hier van belang, bepaald dat het eerste lid niet geldt voor het weigeren van de vergunning met toepassing van artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

Gezien deze bepalingen kan een vergunning voor de in het geding zijnde veehouderij vanwege de ammoniakemissie slechts worden geweigerd indien dat uit de Wet ammoniak en veehouderij voortvloeit, of wanneer één van de in artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer genoemde weigeringsgronden zich voordoet. Een van deze weigeringsgronden is dat door het verlenen van de vergunning niet kan worden bereikt dat de beste beschikbare technieken worden toegepast.

De Wet ammoniak en veehouderij noopt niet tot het weigeren van de vergunning. Verder heeft het college, zoals eerder al is overwogen, het vergunde stalsysteem als beste beschikbare techniek kunnen aanmerken. In zoverre doet zich geen weigeringsgrond in de zin van artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer voor. Ook de andere in dat artikellid genoemde weigeringsgronden doen zich niet voor.

Gezien het voorgaande bestond voor het college geen grond om de vergunning vanwege ammoniakemissie te weigeren. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. De Stichting betoogt dat vergunningvoorschrift 5.2.1 onvoldoende bescherming biedt tegen geluidhinder. Volgens haar is onder meer niet duidelijk wat de "dichtstbijzijnde woning" als bedoeld in dit voorschrift is. Daarnaast betoogt de Stichting dat de voorschriften 5.2.2 en 5.2.4 overbodig zijn, nu het college in het bestreden besluit overweegt dat deze voorschriften geen toetsingscriteria bevatten, maar slechts controlepunten.

2.7.1. In voorschrift 5.2.1 zijn grenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij de dichtstbijzijnde woning, zoals aangegeven in het akoestisch rapport van G&O Consult BV met het rapportnummer 2357ao1016.

Uit het akoestisch rapport kan niet eenduidig worden afgeleid welke van de in de omgeving van de inrichting staande woningen de "dichtstbijzijnde" is. In zoverre is voorschrift 5.2.1 in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Dit beroepsonderdeel slaagt.

2.7.2. In de voorschriften 5.2.2 en 5.2.4 zijn geluidwaarden vermeld die, zo luiden de voorschriften, als controlepunten worden opgenomen. Het college heeft ter zitting bevestigd dat deze geluidwaarden niet moeten worden beschouwd als grenswaarden waaraan de drijver van de inrichting moet voldoen. Het overschrijden van deze waarden zou slechts - zo heeft het college ter zitting uiteengezet - een aanwijzing vormen dat de in de voorschriften 5.2.1 en 5.2.3 gestelde geluidgrenswaarden niet worden nageleefd.

De Afdeling overweegt dat degene die de inrichting drijft dient te voldoen aan de vergunningvoorschriften. Deze voorschriften moeten dus normen bevatten die zijn gericht tot de drijver van de inrichting. De voorschriften mogen verder, gezien artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, uitsluitend worden gesteld in het belang van de bescherming van het milieu.

De vergunningvoorschriften 5.2.2 en 5.2.4 voldoen niet aan deze vereisten. Het college heeft gezien het verhandelde ter zitting niet beoogd om met de voorschriften normen te stellen waaraan de drijver van de inrichting moet voldoen. Aangezien het al dan niet overschrijden van de in de voorschriften opgenomen controlewaarden geen consequenties heeft, is het vermelden ervan in de vergunning ook niet in het belang van de bescherming van het milieu. Het aan de vergunning verbinden van deze voorschriften is dan ook in strijd met het systeem van de Wet milieubeheer.

Dit beroepsonderdeel slaagt.

2.8. De Stichting betoogt tot slot dat het college bij de beoordeling van de uitstoot van zwevende deeltjes ten onrechte is uitgegaan van de achtergrondconcentratie uit 2004, in plaats van de meest recente gegevens uit 2006.

2.9. Bij de aanvraag om vergunning behoort een rapport over de luchtkwaliteit van G&O Consult BV, gedateerd 3 januari 2007. Dit rapport maakt blijkens het dictum van het bestreden besluit daarvan deel uit. Ter zitting heeft het college gesteld zich bij de vergunningverlening te hebben gebaseerd op dit rapport. Dit blijkt echter niet uit het bestreden besluit. De motivering daarvan is gebaseerd op geheel andere gegevens dan de gegevens uit het rapport. Het rapport wordt niet genoemd en een verklaring voor het verschil tussen de gegevens uit het rapport en die genoemd in het bestreden besluit ontbreekt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, op grond waarvan een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Nu het aspect luchtkwaliteit bepalend is voor de vraag of vergunning kan worden verleend, dient het gehele besluit te worden vernietigd.

2.11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 17 april 2007, kenmerk WM/3636;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel tot vergoeding van bij de stichting Stichting VMDLT in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Gemert-Bakel aan de stichting Stichting VMDLT onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Gemert-Bakel aan de stichting Stichting VMDLT het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

262-493.