Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7103

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200800786/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. (hierna: ProRail) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een spoorwegemplacement op het Stationsplein 4 te Groningen. Dit besluit is op 19 december 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/455
JOM 2009/456
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/2681
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/1303

Uitspraak

200800786/2.

Datum uitspraak: 14 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V., gevestigd te Utrecht,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. (hierna: ProRail) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een spoorwegemplacement op het Stationsplein 4 te Groningen. Dit besluit is op 19 december 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft ProRail bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2008, heeft ProRail de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 maart 2008, waar ProRail, vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, W.J. de Lange, K. Steenbergen en R. de Groot, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Rietberg, advocaat te Groningen, en A. Oosterbaan, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. ProRail richt zich tegen de vergunningvoorschriften 3.4.2 en 3.4.3.

Ingevolge voorschrift 3.4.2 dient men zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk één jaar nadat de beschikking van kracht is geworden zodanige maatregelen te hebben genomen dat resonantie, dat wordt veroorzaakt door laagfrequent geluid, binnen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen, niet meer plaatsvindt.

Ingevolge voorschrift 3.4.3 dient een nacontrole betreffende de genomen maatregelen te gebeuren 2 januari 2008.

ProRail voert onder meer aan dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar laagfrequent geluid vanwege de inrichting en dat niet duidelijk is of aan voorschrift 3.4.2 kan worden voldaan.

2.2.1. Het is de voorzitter niet gebleken dat onderzoek is gedaan naar de vraag of voorschrift 3.4.2 nodig is ter bescherming van het milieu en of ProRail kan voldoen aan dit voorschrift. Nu het college voorschrift 3.4.2 desondanks aan de vergunning heeft verbonden, heeft het college, voor zover het dit aspect betreft, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, bij de voorbereiding van het besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Gelet hierop kan in afwachting van de beslissing van de Afdeling in de hoofdzaak niet van ProRail worden gevergd aan voorschrift 3.4.2 te voldoen. Gelet op de onderlinge samenhang geldt hetzelfde voor voorschrift 3.4.3.

2.3. ProRail kan zich verder niet vinden in vergunningvoorschrift 4.7.3.

Ingevolge dit voorschrift moet de aardgastoevoer naar een niet ontstoken wisselverwarmingseenheid binnen een zo kort mogelijke tijd worden afgesloten. De daartoe digitale melding en uitvoering dient éénmaal per kwartaal te zijn getest. Van deze test dient melding te worden gemaakt in het logboek.

Het betoog van ProRail in het kader van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening richt zich tegen het testen. Zij heeft in dit verband ter zitting met name aangevoerd dat de gastoevoer ten behoeve van de wisselverwarming van ongeveer 15 april tot en met 15 oktober is afgesloten. In die periode is het volgens ProRail niet nodig om te testen.

2.3.1. Het college heeft ter zitting gesteld dat het ook als de gastoevoer is afgesloten nodig is om te testen, omdat door bijvoorbeeld een lekkage gas zou kunnen ontsnappen.

2.3.2. Ter zitting heeft ProRail onbetwist gesteld dat om te testen als de gastoevoer is afgesloten iemand deze ter plaatse handmatig moet openstellen en na de test weer moet afsluiten. De voorzitter is van oordeel dat met het oog op de bescherming van het milieu het mogelijke belang dat is gediend met het ook testen in de periode dat de gastoevoer is afgesloten, niet opweegt tegen de risico's die zijn gemoeid met de werkwijze om in die periode te kunnen testen. In afwachting van de beslissing van de Afdeling in de hoofdzaak acht de voorzitter het voldoende dat de digitale melding en uitvoering in de periode van 1 januari tot 15 april éénmaal en in de periode van 15 oktober tot 1 januari éénmaal wordt getest.

2.4. ProRail richt zich tot slot tegen de vergunningvoorschriften 9.1.3 en 9.1.4, voor zover deze voorschriften de verplichting inhouden een verlichtingsplan te overleggen.

Ingevolge voorschrift 9.1.3 dienen binnen zes maanden na vergunningverlening de onderhoudsprogramma's voor 2008 aan het college te worden overgelegd. Vervolgens dient voorafgaand aan elk kalenderjaar het onderhoudsprogramma van dat kalenderjaar in het logboek te worden bewaard.

Ingevolge voorschrift 9.1.4 dient vergunninghoudster binnen zes maanden na vergunningverlening een verlichtingsplan aan te leveren, waarin onder andere is opgenomen waar en op welke wijze de verlichting binnen de inrichting is gerealiseerd en op welke plaatsen energiebesparende maatregelen worden toegepast, tevens dient te worden aangegeven wanneer de energiemaatregelen binnen de inrichting zullen worden uitgevoerd. Dit plan dient ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden gezonden.

ProRail voert aan dat zij zich heeft gecommitteerd aan de uitvoering van de met het Ministerie van Economische zaken afgesloten Meerjarenafspraak Energie-efficiency. De verplichting een verlichtingsplan te overleggen vormt volgens ProRail een onaanvaardbare doorkruising op lokaal niveau van wat op centraal niveau is geregeld.

2.4.1. Een van de verplichtingen die voortvloeien uit de Meerjarenafspraak Energie-efficiency is het tweejaarlijks opstellen van een energiebesparingsplan. Inmiddels is het derde energiebesparingsplan tot stand gekomen. Hierin staat, zo heeft ProRail ter zitting te kennen gegeven, dat er ook belangrijke maatregelen worden getroffen wat het aspect verlichting betreft.

2.4.2. Het college heeft ter zitting opgemerkt de op centraal niveau gemaakte afspraken niet te willen doorkruisen. Het college wil weten welke van de in het centrale plan genoemde maatregelen er in Groningen worden getroffen; het wil een uitwerking van het centrale plan naar lokaal niveau.

2.4.3. De voorzitter ziet in hetgeen ProRail heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften 9.1.3 en 9.1.4 nodig zijn ter bescherming van het milieu.

2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding ten aanzien van de voorschriften 3.4.2, 3.4.3 en 4.7.3 de hierna te melden voorlopige voorzieningen te treffen. Wat de voorschriften 9.1.3 en 9.1.4 betreft bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 18 december 2007, kenmerk 3931-19385, voor zover het de voorschriften 3.4.2, 3.4.3 en 4.7.3 betreft;

II. treft de voorlopige voorziening dat voorschrift 4.7.3 als volgt komt te luiden:

"De aardgastoevoer naar een niet ontstoken wisselverwarmingseenheid moet binnen een zo kort mogelijke tijd worden afgesloten. De daartoe digitale melding en uitvoering dient, in de periode van 1 januari tot 15 april éénmaal en in de periode van 15 oktober tot 1 januari éénmaal te worden getest. Van deze test dient melding te worden gemaakt in het logboek.";

III. wijst het verzoek voor het overige af;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groningen tot vergoeding van bij ProRail B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Groningen aan ProRail B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de gemeente Groningen aan ProRail B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Hamond

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008

446.