Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7090

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200704474/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) heeft bij besluit van 27 maart 2007, kenmerk 2007-458, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bij besluit van 2 december 2003 door de raad van de gemeente Zandvoort (hierna: de raad) vastgestelde bestemmingsplan "Kostverlorenstraat e.o." (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704474/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) heeft bij besluit van 27 maart 2007, kenmerk 2007-458, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bij besluit van 2 december 2003 door de raad van de gemeente Zandvoort (hierna: de raad) vastgestelde bestemmingsplan "Kostverlorenstraat e.o." (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2007, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2007, beroep ingesteld.

Er zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 2] en de raad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2008, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. drs. J.P.A. Stolk, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van Dijck, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door J.A. Sandbergen, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Bij besluit van 29 juni 2004 heeft het college het plan, met uitzondering van artikel 21, vierde lid, van de planvoorschriften, goedgekeurd.

In de uitspraak van 24 augustus 2005, zaaknummer 200406818/1, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan, voor zover hier van belang, de plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijke doeleinden (M6)" wat betreft het terrein van de W. Gertenbachschool en "Bedrijfsdoeleinden" wat betreft de gronden aan de Prinsesseweg.

2.3. [appellant sub 1] stelt dat de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M6)" op het terrein van de W. Gertenbachschool te ruim is. Verder voert hij aan dat het met het plan toegestane gebruik kan leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat.

2.3.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Maatschappelijke doeleinden (M2 t/m M6)" aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften worden onder maatschappelijke voorzieningen verstaan: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke en sport- en recreatieve voorzieningen, alsmede voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.

Het college heeft bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan de zinsneden "sociaal-culturele" en "alsmede voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening" in de voormelde begripsbepaling voor maatschappelijke voorzieningen in artikel 1 van de planvoorschriften.

Ter zitting heeft het college erkend dat hij bij besluit van 29 juni 2004 goedkeuring heeft verleend aan de begripsbepaling voor maatschappelijke voorzieningen en dat die goedkeuring onherroepelijk is. Voorts is gesteld dat deze begripsbepaling ook geldt voor de plandelen met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden M2 t/m M5". Volgens het college was de onthouding van goedkeuring aan de desbetreffende zinsneden in de begripsbepaling voor maatschappelijke voorzieningen daarom niet mogelijk. Het college heeft de Afdeling verzocht het bestreden besluit voor zover daarin goedkeuring is onthouden aan artikel 1 en voor zover daarin goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M6)" te vernietigen en daarnaast goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. In dit kader wijst het college erop dat het goedkeuring heeft verleend aan het plandeel onder de voorwaarde dat de begripsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen werd ingeperkt.

De raad heeft ter zitting met het verzoek van het college ingestemd.

Ingevolge artikel 10:29, tweede lid, van de Awb, voor zover thans van belang, kan de goedkeuring niet worden ingetrokken. De onthouding van goedkeuring aan de zinsneden "sociaal-culturele" en "alsmede voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening" komt neer op de intrekking van de bij besluit van 29 juni 2004 door het college verleende goedkeuring, zodat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 10:29, tweede lid, van de Awb.

2.3.2. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan de zinsneden "sociaal-culturele" en "alsmede voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening" in de begripsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen in artikel 1 van de planvoorschriften.

Gelet op de door het college en de raad gestelde samenhang tussen de vernietigde onthouding van goedkeuring aan voormelde zinsneden en de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M6)", ziet de Afdeling voorts aanleiding het bestreden besluit te vernietigen voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M6)".

2.3.3. In het daartoe strekkende verzoek van het college en de raad ziet de Afdeling voorts aanleiding om goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M6)" te onthouden.

2.3.4. Gelet op het vorenstaande behoeven de beroepsgronden van [appellant sub 1] geen bespreking.

2.4. [appellanten sub 2] stellen dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht wat de gevolgen zijn van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" aan de Prinsesseweg op het woon- en leefklimaat bij hun woningen. Voorts wijzen zij erop dat de afstand vanaf de grens van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" tot de woningen minder bedraagt dan de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 1999 van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) voor categorie 2 bedrijven aanbevolen afstand van 30 meter. Volgens hen gaat het college er ten onrechte vanuit dat sprake is van een bestaande situatie. In dit verband stellen zij dat op grond van het voorgaande plan ter plaatse geen bedrijven waren toegestaan.

2.4.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven, bijbehorende erven, verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, garageboxen en bijbehorende voorzieningen. Voorts zijn ingevolge dat lid uitsluitend die bedrijfsactiviteiten toegelaten die zijn opgenomen in de Lijst van toegelaten bedrijfstypen (Bijlage 1), te weten vallend onder milieucategorie 1 en 2. Inrichtingen die in het "Inrichtingen- en Vergunningenbesluit milieubeheer" zijn aangewezen als inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze voorschriften, zijn niet toegestaan.

De raad heeft voor de beoordeling of ter plaatse van de omliggende woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. Hierin worden tussen bedrijven en nabijgelegen gevoelige objecten ter voorkoming en beperking van hinder aan te houden afstanden aanbevolen. Deze afstanden gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een woning anderzijds. Van deze afstanden mag, afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse, gemotiveerd worden afgeweken. In de Lijst van bedrijfsactiviteiten in de VNG-brochure wordt voor categorie 1 bedrijven een afstand van 10 meter aanbevolen en voor categorie 2 bedrijven een afstand van 30 meter. In de VNG-brochure wordt uitgegaan van een gemiddeld bedrijf en woningen in een rustige woonwijk met weinig verkeer.

2.4.2. In voormelde uitspraak van 24 augustus 2005 heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:

"Gelet op artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften in samenhang met bijlage 1 staat het plan, anders dan waar het college in het bestreden besluit vanuit is gegaan, meer soorten bedrijvigheid toe dan thans plaatsvinden op het terrein. Het college heeft zich hier ten onrechte geen rekenschap van gegeven. In aansluiting hierop is hij onvoldoende nagegaan wat voor gevolgen het plandeel heeft op de woonomgeving en in hoeverre de belangen van appellanten worden aangetast. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid."

2.4.3. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de met het plandeel "Bedrijfsdoeleinden"mogelijk gemaakte bedrijfsactiviteiten geen gevolgen zullen hebben voor de omliggende woningen. In dit verband heeft het college in aanmerking genomen dat in het overleg met het gemeentebestuur is gebleken dat op de desbetreffende gronden zes uiteenlopende bedrijven zijn gevestigd. Ter zitting heeft het college in dit verband aangevoerd dat een positieve bestemming van de bestaande bedrijven is gerechtvaardigd, nu deze bedrijven op grond van het vorige plan "Uitbreidingsplan in onderdelen" waren toegestaan. In dit plan hadden de onderhavige gronden de bestemming "Binnenterrein".

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften van het voorheen geldende plan mag op de gronden die zijn aangewezen voor binnenterrein in hoofdzaak te gebruiken voor garages, boxengarages, ligplaatsen en dergelijke niet anders worden gebouwd dan dergelijke gebouwen, alsmede gebouwtjes ten behoeve van publieke voorzieningen zoals een transformatorhuisje en dergelijke, een en ander met een goot- of boeihoogte van niet meer dan 4 meter. Ingevolge het tweede lid is het college van burgemeester en wethouders bevoegd toe te staan dat op deze gronden ook gebouwen voor een dierenasiel en dergelijke worden opgericht.

Anders dan waarvan het college in het bestreden besluit is uitgegaan, kan uit dit artikel niet worden afgeleid dat het voorheen geldende plan voorzag in de vestiging van bedrijven op het onderhavige plandeel. Uit het besluit van de raad blijkt niet van een op de situatie ter plaatse toegesneden belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het plan noch het bestreden besluit geven inzicht in de vraag waarom naast de ter plaatse gevestigde bedrijven tevens nieuwe bedrijven in de categorieën 1 en 2 vanuit planologisch oogpunt toelaatbaar worden geacht. Dit klemt te meer nu twaalf woningen op minder dan 10 meter afstand van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" staan en enkele tientallen op een afstand van minder dan 30 meter, zodat in zoverre voor een groot aantal woningen niet aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden voor de aldus in het plangebied toegelaten nieuwe bedrijvigheid kan worden voldaan.

2.4.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellanten sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarin goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de Prinsesseweg, dient te worden vernietigd.

2.4.5. Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de Prinsesseweg.

2.4.6. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige gronden van [appellanten sub 2] geen bespreking.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 2] te worden veroordeeld. Voor zover zij hebben verzocht om vergoeding van kosten van een in hun opdracht opgesteld deskundigenrapport, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat deze kosten zijn gemaakt in verband met de behandeling van het voorliggende beroep, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 27 maart 2007, kenmerk 2007-458, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan de zinsneden "sociaal-culturele" en "alsmede voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening" in de begripsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen in artikel 1 van de planvoorschriften en voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M6)" ter plaatse van de W. Gertenbachschool en aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" aan de Prinsesseweg;

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M6)" ter plaatse van de W. Gertenbachschool, en het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de Prinsesseweg;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 27 maart 2007;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 23,28 (zegge: drieëntwintig euro en achtentwintig eurocent) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 1] en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

325-559.