Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200706054/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2006 heeft het dagelijks bestuur van het Bestuur Regio Utrecht (hierna: het BRU) afwijzend beslist op een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten over functies uitgeoefend bij Connexxion Openbaar Vervoer N.V. (hierna: Connexxion), vestiging Nieuwegein, en de exploitatie van het nachtnet door Connexxion.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706054/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/20 en 07/624 van de rechtbank Utrecht van 24 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het Bestuur Regio Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2006 heeft het dagelijks bestuur van het Bestuur Regio Utrecht (hierna: het BRU) afwijzend beslist op een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten over functies uitgeoefend bij Connexxion Openbaar Vervoer N.V. (hierna: Connexxion), vestiging Nieuwegein, en de exploitatie van het nachtnet door Connexxion.

Bij besluit van 29 november 2006 heeft het BRU afwijzend beslist op een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van door Connexxion aan het BRU overgelegde accountantsverklaringen.

Bij besluit van 20 december 2006 heeft het BRU het door [appellant] tegen het besluit van 6 april 2006 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en dit besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het BRU het door [appellant] tegen het besluit van 29 november 2006 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en kopieën van de gevraagde accountantsverklaringen over de jaren 2003, 2004 en 2005 verstrekt.

Bij uitspraak van 24 juli 2007, verzonden op 26 juli 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 20 december 2006 ongegrond en het door hem ingestelde beroep tegen het besluit van 12 februari 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2007.

Het BRU heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan het BRU toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2008, waar [appellant], in persoon, en het BRU, vertegenwoordigd door mr. J.W.A. Meesters, advocaat te Utrecht, en R.J. Reijndorp, ambtenaar in dienst van het BRU, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder document verstaan een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2.1.1. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 kan de concessieverlener aan een concessie voorschriften verbinden.

Ingevolge het tweede lid worden aan een concessie in ieder geval voorschriften verbonden ten aanzien van:

[…]

c. het verstrekken van informatie aan de concessieverlener ten behoeve van de controle op de uitvoering van de concessie;

[…]

e. het opstellen van een financiële verantwoording van het uitvoeren van de concessie, welke verantwoording gescheiden is van die voor andere activiteiten.

2.2. Bij besluit van 20 december 2004 heeft het dagelijks bestuur aan Connexxion concessie verleend voor het verrichten van openbaar vervoer in het concessiegebied "Zuid" (hierna: de concessiebeschikking). In het daaraan verbonden voorschrift 22, onder a, is bepaald dat Connexxion verplicht is tot het kosteloos verschaffen van de informatie genoemd in bijlage R.

In deze bijlage R is onder meer bepaald dat Connexxion per kalenderjaar de jaarrekening dient te verstrekken, aangevuld met:

(i) een overzicht van de in deze jaarrekening van het BRU ontvangen bijdragen gespecificeerd naar soort en concessie;

(ii) een verklaring van een geregistreerde accountant waaruit de juistheid van de jaarrekening en het bijgevoegde bijdragenoverzicht blijkt.

Ten aanzien van het besluit van 20 december 2006

2.3. [appellant] heeft bij brief van 29 december 2005 verzocht om verstrekking van een overzicht van alle functies uitgeoefend bij de vestiging Nieuwegein en meer in het bijzonder van de aantallen, de doelstelling en het economisch doel van deze functies, de inhoud van de bij deze functies behorende werkzaamheden en de tijd die deze werkzaamheden in beslag nemen. Voorts heeft hij verzocht om een opgave van het aantal passagiers dat in het nachtnet, op nachttarief, is vervoerd in de jaren 2001 tot en met 2005. Ten slotte heeft hij verzocht om een opgave van kosten en baten van de bovenbedoelde functies en van de exploitatie van het nachtnet.

Het BRU heeft dit verzoek afgewezen omdat het niet over documenten beschikt waarin de gevraagde informatie is opgenomen en het volgens hem niet gehouden is deze documenten van elders te vergaren.

2.4. [appellant] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de door hem gevraagde stukken bij het BRU behoren te berusten. Hij verwijst daartoe naar de Verantwoordingsregels openbaar vervoer (hierna: de Vov), waarin richtlijnen zijn opgenomen voor de wijze waarop de exploitatiekosten van een vervoersbedrijf moeten worden gespecificeerd per activiteit.

2.4.1. Het BRU heeft aan de concessiebeschikking niet het voorschrift verbonden dat de in de Vov bedoelde specificaties aan hem moeten worden verstrekt. Ter zitting heeft het BRU toegelicht dat in de Vov is bepaald welke kosten door het vervoersbedrijf moeten worden verantwoord en op welke wijze dit moet gebeuren. De accountant controleert vervolgens of aan deze richtlijnen is voldaan en de accountantsverklaring dient aan het BRU te worden verstrekt. Het BRU beschikt niet over de onderliggende stukken, waaruit volgens [appellant] de door hem gevraagde informatie kan worden afgeleid. Nu Connexxion op grond van de Wet personenvervoer 2000 en de concessiebeschikking ook niet verplicht is die stukken aan het BRU te verstrekken, bestaat geen grond voor het oordeel dat die stukken bij het BRU behoren te berusten. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 13 juli 2005, nr. 200308305/1, bevat de Wob, buiten de gevallen waarin de stukken waarvan openbaarmaking is gevraagd bij het aangezochte orgaan behoren te berusten, geen verplichting voor dat orgaan om die documenten van elders te vergaren.

Nu het verzoek van [appellant] geen betrekking heeft op documenten die bij het BRU berusten of behoren te berusten, heeft het BRU dit verzoek terecht afgewezen. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen, zij het op andere gronden.

Het betoog slaagt derhalve niet.

Ten aanzien van het besluit van 12 februari 2007

2.5. Bij brief van 25 september 2006 heeft [appellant] verzocht om verstrekking van door Connexxion aan het BRU overgelegde accountantsverklaringen. Bij het besluit van 12 februari 2007 heeft het dagelijks bestuur de gevraagde accountantsverklaringen over de jaren 2003, 2004 en 2005 verstrekt.

Bij brief van 25 mei 2007 heeft [appellant] aan de rechtbank meegedeeld dat de verstrekte accountantsverklaringen volgens hem niet compleet zijn, omdat de daarbij behorende cijfermatige gegevens ontbreken. Naar aanleiding daarvan heeft het BRU bij brief van 19 juni 2007 de jaarrekeningen en de verantwoordingen openbaar vervoer aan [appellant] verstrekt.

2.6. [appellant] bestrijdt de overwegingen van de rechtbank over het niet ontvangen van de uitnodiging voor de zitting.

2.6.1. De rechtbank heeft het door [appellant] instelde beroep tegen het besluit van 12 februari 2007 gevoegd behandeld tegelijk met zijn beroep tegen het besluit van 20 december 2006. Zij heeft vastgesteld dat de aangetekend verzonden kennisgeving van de zitting betreffende het eerst vermelde besluit [appellant] niet heeft bereikt. Uit de stukken blijkt echter niet of zij deze kennisgeving overeenkomstig artikel 8:38 van de Algemene wet bestuursrecht tevens bij gewone brief heeft verzonden.

Niet gebleken is dat [appellant] in zijn belangen is geschaad door de beslissing van de rechtbank de zitting in zoverre niet uit te stellen. De rechtbank had hem bij brief van 11 mei 2007 reeds gevraagd naar het belang bij dit beroep, en [appellant] heeft daarop bij brief van 25 mei 2007 gemotiveerd gereageerd. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft hij het beroep ter zitting toegelicht. In hoger beroep is zijn belang opnieuw in volle omvang aan de orde. Ook indien de uitnodiging niet tevens bij gewone brief is verzonden, bestaat gelet hierop geen grond voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd wegens een procedurefout.

2.7. [appellant] voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de bij brief van 19 juni 2007 verstrekte informatie. Het besluit deze informatie te verstrekken had volgens hem minimaal 14 dagen voor de zitting aan hem moeten worden kenbaar gemaakt. Bovendien is volgens hem bij deze brief onjuiste dan wel valse informatie verstrekt.

2.7.1. De bij brief van 19 juni 2007 verstrekte informatie valt buiten het onderwerp van dit geding. Het verzoek van 25 september 2006 heeft daarop geen betrekking. De gestelde, en door het BRU betwiste, onjuistheid of valsheid van deze informatie staat reeds daarom in deze procedure niet ter beoordeling, evenmin als het moment van verstrekking. De rechtbank heeft deze informatieverstrekking alleen aangehaald om de welwillende houding van het BRU toe te lichten. Zij heeft deze niet ten grondslag gelegd aan haar beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van procesbelang. Dit betoog slaagt daarom evenmin.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Visser

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

148.