Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200705827/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van een slachthuis op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/162

Uitspraak

200705827/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Someren,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3041 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 juni 2007 in het geding tussen:

[wederpartij],

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van een slachthuis op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 15 mei 2006 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, doch het besluit van 22 november 2005 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 25 juni 2007, verzonden op 10 juli 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 mei 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2007.

[wederpartij] heeft een reactie ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.P.L. Lucas, interim juridisch medewerker in dienst van de gemeente, is verschenen.

Voorts is ter zitting [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. E. Beele, advocaat te 's-Hertogenbosch, als eiser gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Bedrijventerrein 't Vaartje" en "Buitengebied 1998".

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

2.3. De raad van de gemeente Someren heeft zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, aan het college overgedragen, voor zover het de beslissing omtrent het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar betreft en de beslissing omtrent het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19a, elfde lid, van de WRO.

2.4. Uit de stukken blijkt het volgende.

Op 11 maart 2004 heeft [wederpartij] een aanvraag om bouwvergunning ingediend. Op 29 juni 2004 heeft het college besloten medewerking te zullen verlenen aan de uitbreiding van het bedrijf van [wederpartij] door toepassing van een vrijstellingsprocedure krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO. Op 20 september 2004 hebben omwonenden op een voorlichtingsbijeenkomst, gehouden ter zake van het bouwplan van [wederpartij], te kennen gegeven dat het bouwplan de door het college op 27 april 2004 gedane toezegging doorkruist om te onderzoeken of vanaf de bocht in de Trasweg een verbindingsweg kan worden gerealiseerd die zal aansluiten op een nieuw aan te leggen rotonde aan de Kanaaldijk-Zuid (hierna: het doortrekken van de Trasweg). Het doortrekken van de Trasweg is voorzien op het perceel van [wederpartij]. Het college heeft vervolgens Croonen Adviseurs verzocht het doortrekken van de Trasweg te onderzoeken, hetgeen heeft geresulteerd in twee rapporten van 2 december 2004 en 10 januari 2005. In de adviezen wordt - kort samengevat - geconcludeerd dat het doortrekken van de Trasweg niet bijdraagt aan de gewenste verkeersstructuur in het gebied.

Het college heeft naar aanleiding van de door [wederpartij] ingediende aanvraag om bouwvergunning een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. In de ruimtelijke onderbouwing is onder het kopje "Voorlichtingsbijeenkomst over de beoogde verkeersstructuur van 30 maart 2005" de volgende passage opgenomen:

"Op 30 maart 2005 heeft er een voorlichtingsbijeenkomst plaatsgevonden over de beoogde verkeersstructuur in Someren-Eind en de relatie met de plannen voor de nieuwe oeververbinding (brug bij ¼ voor XII) en de uitbreidingsplannen van [wederpartij] Hierbij zijn de voor- en nadelen van de diverse alternatieven voor een nieuwe verkeersstructuur aan bod gekomen, inclusief enkele varianten met een doorgetrokken Trasweg.

Het bedrijf heeft zelf aangegeven om het doortrekken van de Trasweg over het perceel van [wederpartij] niet uit te willen sluiten. Daar er geen vrijstelling wordt gevraagd voor een vastomlijnde bouwvergunning, maar voor afwijking van de in het bestemmingsplan vastgelegde maximum perceelgrootte, valt de perceelindeling nog nader te bezien. Voor de eigen perceelontsluiting hebben zij de voorkeur om een zo kort mogelijke routing naar de Kanaaldijk te realiseren. In de praktijk komt dit neer op een aansluiting aan het zuiden van het perceel op een nieuwe verbindingsweg richting de beoogde rotonde op de Kanaaldijk. Hierover kan pas uitsluitsel worden gegeven bij definitieve plannen voor de verkeersstructuur in Someren-Eind."

Op 31 maart 2005 heeft de raad van Someren besloten een vrijstellingsprocedure op te starten. Omwonenden hebben hiertegen op 10 mei 2005 een zienswijze ingebracht en onder meer aangevoerd dat het bouwplan het doortrekken van de Trasweg blokkeert. Bij brief van 5 juli 2005, aangevuld bij brief van 2 augustus 2005, heeft het college bij gedeputeerde staten van Noord-Brabant een verklaring van geen bezwaar aangevraagd. In de brief van 5 juli 2005 heeft het college vermeld dat toestemming wordt gevraagd voor het overschrijden van de kavelgrootte zonder dat er een concreet bouwplan aan ten grondslag ligt. Hiervoor is blijkens deze brief gekozen om het doortrekken van de Trasweg richting een nieuw aan te leggen verbindingsweg ten zuiden van het perceel van [wederpartij] niet uit te sluiten. Gedeputeerde staten hebben op 27 september 2005 de aangevraagde verklaring van geen bezwaar afgegeven. Op 28 oktober 2005 heeft [wederpartij] aan het college medegedeeld geen medewerking te verlenen aan het doortrekken van de Trasweg op haar perceel. Op 22 november 2005 heeft het college de gevraagde bouwvergunning en vrijstelling geweigerd.

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door de vrijstelling te weigeren. Volgens het college wist [wederpartij] dat het college slechts bereid was mee te werken aan een vrijstellingsprocedure indien de mogelijkheid van het doortrekken van de Trasweg op haar perceel openbleef. Voorts betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college gehouden is onderzoek te verrichten naar het bieden van financiële compensatie.

2.5.1. Het betoog slaagt. De beslissing van de gemeenteraad om een vrijstellingsprocedure op te starten betekent niet zonder meer dat vrijstelling van het bestemmingsplan zal worden verleend. Eerst dient de in artikel 19a van de WRO voorgeschreven procedure te worden doorlopen.

In de ruimtelijke onderbouwing is uitdrukkelijk gesteld dat geen vrijstelling wordt gevraagd voor een vastomlijnde bouwvergunning en dat de perceelindeling nog nader valt te bezien. Tevens kan uit de ruimtelijke onderbouwing worden afgeleid dat [wederpartij] rekening hield met de mogelijkheid van het doortrekken van de Trasweg op haar perceel. Omwonenden hebben daarnaast in hun zienswijze gesteld dat het realiseren van het bouwplan het doortrekken van de Trasweg zal belemmeren. In de aanvraag om een verklaring van geen bezwaar heeft het college melding gemaakt van de mogelijkheid van het doortrekken van de Trasweg. Onder deze omstandigheden wist of had [wederpartij] moeten weten dat het college de mogelijkheid van het doortrekken van de Trasweg op haar perceel open wilde houden. Aan het opstarten van de vrijstellingsprocedure en aan het aanvragen en verkrijgen van de verklaring van geen bezwaar had [wederpartij] dan ook niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat vrijstelling zou worden verleend voor het realiseren van het bouwplan waarbij geen rekening is gehouden met het doortrekken van de Trasweg.

Waar [wederpartij] betoogt dat het college in het ruim twee jaar durende (voor)overleg omtrent haar bouwplan geen enkel voorbehoud heeft gemaakt over het doortrekken van de Trasweg en zij pas in juni/juli 2005 op de hoogte was van dit voorbehoud, wordt overwogen dat het college, na eerdere afwijzing van het bouwplan, weliswaar op 28 juni 2004 heeft besloten medewerking te verlenen aan een vrijstellingsprocedure, doch dat reeds op de voorlichtingsbijeenkomst van 20 september 2004 de mogelijkheid van het doortrekken van de Trasweg aan de orde is geweest. Aan de adviezen van Croonen Adviseurs kon, anders dan [wederpartij] heeft betoogd, evenmin het vertrouwen worden ontleend dat vrijstelling voor het bouwplan zou worden verleend. Dat het college bij het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing en het aanvragen van de verklaring van geen bezwaar heeft verwezen naar de conclusies van deze adviezen, maakt niet dat [wederpartij] geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid van het doortrekken van de Trasweg, nu in deze stukken uitdrukkelijk een voorbehoud daaromtrent is gemaakt. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Gelet op het voorgaande was het college niet gehouden onderzoek te verrichten naar het bieden van financiële compensatie aan [wederpartij].

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingediende beroep alsnog ongegrond verklaren.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 juni 2007 in zaak nr. 06/3041;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. R.R. Winter, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

414.