Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200704198/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) [appellant] op straffe van een dwangsom gelast een veranda, een aanbouw aan een stacaravan, bijgebouwen en overkappingen te verwijderen van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704198/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/501 en 06/534 van de rechtbank Almelo van 7 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) [appellant] op straffe van een dwangsom gelast een veranda, een aanbouw aan een stacaravan, bijgebouwen en overkappingen te verwijderen van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 september 2005 heeft het college de in het besluit van 21 juni 2005 bepaalde termijn waarbinnen [appellant] aan dat besluit moet hebben voldaan, opgeschort tot zes weken nadat op zijn bezwaarschrift zal zijn beslist.

Bij besluit van 3 maart 2006 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 21 juni 2005 gemaakte bezwaar, dat door het college is aangemerkt ook te zijn gericht tegen het besluit van 15 september 2005, gegrond verklaard voor zover het de bijgebouwen betreft en overigens ongegrond verklaard. Verder heeft het college bij dit besluit de last onder dwangsom met betrekking tot de overkappingen ingetrokken.

Bij besluit van 21 april 2006 heeft het college de in het besluit van 3 maart 2006 bepaalde termijn waarbinnen [appellant] aan dat besluit moet hebben voldaan, opgeschort tot zes weken nadat op zijn beroepschrift zal zijn beslist.

Bij uitspraak van 7 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 3 maart 2006 ingestelde beroep, dat door de rechtbank is aangemerkt ook te zijn gericht tegen het besluit van 21 april 2006, ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 juli 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 19 juli 2007 heeft het college de in het besluit van 3 maart 2006 bepaalde termijn waarbinnen [appellant] aan dat besluit moet hebben voldaan, opgeschort tot zes weken nadat op zijn hogerberoepschrift zal zijn beslist.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2008, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. J.A.A.M. Rupert, advocaat te Haaksbergen, en L.G.M. Schilderinck, en het college, vertegenwoordigd door I. Lesker, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De besluiten van het college van 15 september 2005 en van 21 april 2006, inhoudende de wijziging van onderscheidenlijk het besluit van 21 juni 2005 en het besluit op bezwaar van 3 maart 2006, zijn besluiten in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van die wet (hierna: de Awb) het bezwaar onderscheidenlijk het beroep mede geacht wordt te zijn gericht, nu bij die besluiten niet aan het bezwaar is tegemoetgekomen. Het college en de rechtbank hebben die besluiten terecht in de procedure betrokken.

Het besluit van het college van 19 juli 2007 is eveneens een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Aangezien ook dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van [appellant] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellant], gelet op artikel 6:24, eerste lid, gelezen in samenhang met 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd is hem op straffe van een dwangsom te gelasten de veranda en de aanbouw aan de stacaravan te verwijderen. Hij voert daartoe aan dat de bouwwerken onder de werking vallen van het overgangsrecht neergelegd in het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan "Buitengebied 1996" en dat de werkzaamheden die hij in 2002-2003 eraan heeft verricht bouwvergunningvrij zijn.

2.2.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2005 in zaak no. 200405056/1), kan overgangsrecht niet tot gevolg hebben dat illegale bouwwerken geacht worden met bouwvergunning te zijn opgericht dan wel dat die bouwwerken daardoor anderszins gelegaliseerd zijn. Nu vast staat dat de veranda en de aanbouw zijn geplaatst zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning is het college bevoegd daartegen handhavend op te treden. Dat aan de beide bouwwerken werkzaamheden zijn verricht die volgens [appellant] op grond van het overgangsrecht toelaatbaar zijn, maakt niet dat het college die bevoegdheid niet meer heeft.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de bijzondere omstandigheden die van het college vergden af te zien van handhaving. Hij voert daartoe aan dat hem vrijstelling had moeten worden verleend en verder dat in belangen van archeologische aard reden is gelegen om van de bevoegdheid tot handhaving af te zien.

2.4.1. Deze beroepsgrond heeft [appellant] niet in beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet al voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en [appellant] dat uit een oogpunt van een zorgvuldig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

47.