Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC7078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
200704152/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een carport/overkapping (hierna: de overkapping) op het perceel [locatie] te Enschede (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704152/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nrs. 06/795 en 06/1089 van de rechtbank Almelo van 11 mei 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een carport/overkapping (hierna: de overkapping) op het perceel [locatie] te Enschede (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 mei 2006 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 31 augustus 2006 heeft het college het besluit van 24 mei 2006 ingetrokken en de het door [appellante] tegen het besluit van 5 januari 2006 gemaakt bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 24 mei 2006 ingestelde beroep niet-ontvankelijk en het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 31 augustus 2007 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief van 15 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 2 en 4 juli 2007.

Bij brief van 24 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.H. van Stijn, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. MdC.A.J. Westerterp, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank haar beroep voor zover gericht tegen het - ingetrokken - besluit op bezwaar van 24 mei 2006 ten onrechte, op de grond dat zij daarbij geen processueel belang meer heeft, niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voert daartoe aan dat haar belang is gelegen in het verkrijgen van een vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar. Zij heeft het college in haar bezwaarschrift om vergoeding van die kosten verzocht en bij genoemd besluit is dat verzoek afgewezen.

2.1.1. Dit betoogt slaagt niet. Op de voet van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht worden - voor zover hier van belang - de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu voor het besluit op bezwaar van 24 mei 2006 een nieuw besluit in de plaats is gekomen dat evenals het eerdere strekt tot ongegrondverklaring van het door [appellante] tegen het besluit van 5 januari 2006 gemaakte bezwaar, is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat [appellante] geen belang meer heeft bij behandeling van het beroep voor zover dit is gericht tegen het besluit van 24 mei 2006. In vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, is geen belang gelegen, omdat een veroordeling daartoe kan plaatsvinden bij de uitspraak op het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar van 31 augustus 2006.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet moet het college de reguliere bouwvergunning weigeren indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996, herziening 38" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" met de nadere aanduiding "w", waarmee de gastbestemming "woning" wordt bedoeld.

Ingevolge artikel 44.1.2 van de planvoorschriften mag - voor zover thans van belang - op het perceel één woning aanwezig zijn met een inhoud van maximaal 600 m³.

Ingevolge artikel 44.1.3 mag - voor zover thans van belang - de oppervlakte van de bijgebouwen in totaal maximaal 50 m² bedragen.

Ingevolge artikel 1.19 wordt onder bijgebouw verstaan: een gebouw, vrijstaand dan wel aangebouwd, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen woning, ten dienste van de normaal gebruikelijke huishoudelijke berging, stalling of hobby.

2.3. De overkapping heeft een oppervlakte van 60 m². Op het perceel bevinden zich verder de woning van [appellante] en andere bijgebouwen.

2.4. Het betoog van [appellante] komt erop neer dat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling en bouwvergunning voor de overkapping te verlenen. [appellante] acht daarbij van betekenis dat verwacht mag worden dat het besluit van college van gedeputeerde staten van Overijssel van 18 april 2006 betreffende de goedkeuring van het op 19 september 2005 door de gemeenteraad van Enschede vastgestelde bestemmingsplan "'t Vaneker" door de Afdeling vernietigd zal worden. [appellante] heeft verder aangevoerd dat, nu het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996, herziening 38" op het perceel een woning met een inhoud van 600 m³ toelaat en die inhoud bij lange na niet wordt gehaald, de inhoud van de bestaande bijgebouwen in elk geval gedeeltelijk aan de woning kan worden toegerekend, hetgeen een afwijking van het bestemmingsplan rechtvaardigt. [appellante] stelt dat belangen van derden niet in de weg staan aan het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning en dat evenmin voor precedentwerking behoeft te worden gevreesd.

2.4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu de op grond van het geldende bestemmingsplan maximaal toelaatbare oppervlakte aan bijgebouwen is overschreden door de op het perceel aanwezige bijgebouwen, dit bestemmingsplan aan het verlenen van een bouwvergunning voor de overkapping in de weg staat. Er is geen grond om die bestaande bijgebouwen toe te rekenen aan de woning. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het provinciale beleid, zoals dat is neergelegd in de "Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen", de overkapping op het perceel niet mogelijk maakt, nu volgens dat beleid in het buitengebied bijgebouwen mogen worden opgericht tot een maximum van 75 m², welke oppervlaktemaat met de aanwezigheid van de bestaande bijgebouwen al is overschreden, en dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. Ook het ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "'t Vaneker" laat de overkapping niet toe. Het enkele feit dat tegen dit bestemmingsplan een beroepsprocedure aanhangig was, is onvoldoende. Overigens is inmiddels bij uitspraak van 18 juli 2007, zaak nr. 200604532/1, goedkeuring onthouden aan andere onderdelen van dat bestemmingsplan dan die welke zien op de regeling betreffende de maximaal toegestane oppervlakte van bijgebouwen.

2.5. [appellante] betoogt tenslotte dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de op het perceel aanwezige gebouwen mogelijk zijn aan te merken als voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. In beroep heeft [appellante] dit evenwel niet naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden gevoerd en [appellante] dat uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

47.