Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
200706743/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / belang / beoordeling verblijfsvergunning regulier

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 6 juli 2006, in zaak nr. 200510434/1, JV 2006/347), is het gevolg dat voormelde bepaling aan de ongewenstverklaring verbindt dat de desbetreffende vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben, zolang zij voortduurt. Nu de inmiddels in rechte onaantastbare ongewenstverklaring van de vreemdeling ten tijde hier van belang voortduurde, had de vreemdeling derhalve geen belang bij de beoordeling van zijn bezwaar tegen de ambtshalve weigering van de minister om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Aan een oordeel over de vraag of de vreemdeling ten tijde van de ongewenstverklaring rechtmatig in Nederland verbleef en als gevolg daarvan de ongewenstverklaring mogelijk anders dient te worden beoordeeld, kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een zodanig belang niet worden ontleend, nu deze vraag in de procedure van de ongewenstverklaring aan de orde had kunnen worden gesteld. Door te overwegen dat de aanspraak van de vreemdeling op de verblijfsvergunning wegens tijdsverloop in de asielprocedure door de inmiddels in rechte onaantastbare ongewenstverklaring mogelijk nimmer in bezwaar en in rechte wordt beoordeeld, heeft de rechtbank voorts niet onderkend dat zolang de ongewenstverklaring voortduurt een dergelijke beoordeling ook nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. De minister heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen belang bij de beoordeling van het gemaakte bezwaar heeft. Nu de minister op die grond het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep derhalve ten onrechte niet ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706743/1.

Datum uitspraak: 28 februari 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/42486 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 16 augustus 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2003 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voor zover thans van belang, geweigerd [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 augustus 2007, verzonden op 23 augustus 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 september 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een reactie in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 12 juli 2005 is de vreemdeling krachtens artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) ongewenst verklaard. Hiertegen heeft de vreemdeling geen rechtsmiddelen ingesteld.

2.2. De staatssecretaris betoogt in de grieven 1 tot en met 4, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling, ondanks het voortduren van zijn ongewenstverklaring, belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'tijdsverloop in de asielprocedure'. De rechtbank heeft hiermee miskend dat volgens vaste jurisprudentie het oordeel omtrent de rechtmatigheid van het verblijf van de vreemdeling aan de orde kon worden gesteld in het kader van de ongewenstverklaring, aldus de staatssecretaris.

2.3. In de aangevallen uitspraak is, samengevat weergegeven, overwogen dat de vreemdeling belang heeft bij de beoordeling van zijn bezwaar, nu hiermee kan worden bereikt dat de gevraagde verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt verleend over de periode tot aan de ongewenstverklaring. Het belang daarvan voor de vreemdeling is volgens de rechtbank ook daarin gelegen dat als gevolg van een eventuele verblijfsaanspraak de ongewenstverklaring mogelijk anders dient te worden beoordeeld en aanleiding bestaat om opheffing daarvan te verzoeken. Voorts overweegt de rechtbank dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de vreemdeling zijn grieven ten aanzien van de weigering van de gevraagde verblijfsvergunning over de periode voor de ongewenstverklaring, kan inbrengen in een eventueel te voeren procedure tot opheffing van de ongewenstverklaring. Nu de ongewenstverklaring van de vreemdeling in rechte onaantastbaar is geworden, zal de aanspraak van de vreemdeling op de gevraagde verblijfsvergunning en eventueel daaraan te ontlenen vervolgaanspraken mogelijk nimmer in bezwaar en in rechte beoordeeld worden, aldus de rechtbank.

2.4. Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van die wet geen rechtmatig verblijf hebben.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 6 juli 2006, in zaak nr. 200510434/1, JV 2006/347), is het gevolg dat voormelde bepaling aan de ongewenstverklaring verbindt dat de desbetreffende vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben, zolang zij voortduurt.

Nu de inmiddels in rechte onaantastbare ongewenstverklaring van de vreemdeling ten tijde hier van belang voortduurde, had de vreemdeling derhalve geen belang bij de beoordeling van zijn bezwaar tegen de ambtshalve weigering van de minister om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Aan een oordeel over de vraag of de vreemdeling ten tijde van de ongewenstverklaring rechtmatig in Nederland verbleef en als gevolg daarvan de ongewenstverklaring mogelijk anders dient te worden beoordeeld, kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een zodanig belang niet worden ontleend, nu deze vraag in de procedure van de ongewenstverklaring aan de orde had kunnen worden gesteld. Door te overwegen dat de aanspraak van de vreemdeling op de verblijfsvergunning wegens tijdsverloop in de asielprocedure door de inmiddels in rechte onaantastbare ongewenstverklaring mogelijk nimmer in bezwaar en in rechte wordt beoordeeld, heeft de rechtbank voorts niet onderkend dat zolang de ongewenstverklaring voortduurt een dergelijke beoordeling ook nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden.

De minister heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen belang bij de beoordeling van het gemaakte bezwaar heeft. Nu de minister op die grond het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep derhalve ten onrechte niet ongegrond verklaard.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 16 augustus 2007 in zaak nr. 06/42486;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.P. van Os Ravesloot, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Van Os-Ravesloot

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2008

248-565.

Verzonden: 28 februari 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak