Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6447

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200702613/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2007:BA0959, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 31 januari 2005, 18 februari 2005 en 28 februari 2005 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (thans: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hierna: de minister) aan onderscheidenlijk het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Orkest van het Oosten en het Nederlands Ballet- en Symfonieorkest Holland Symfonia een subsidieverhoging verleend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/99
NJB 2008, 771

Uitspraak

200702613/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. 05/953, 05/1035, 05/5028 en 05/5151 van de rechtbank Arnhem van 5 maart 2007 in het geding tussen:

de stichting Stichting het Gelders Orkest, gevestigd te Arnhem en de stichting Stichting het Brabants Orkest, gevestigd te Eindhoven

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 31 januari 2005, 18 februari 2005 en 28 februari 2005 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (thans: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hierna: de minister) aan onderscheidenlijk het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Orkest van het Oosten en het Nederlands Ballet- en Symfonieorkest Holland Symfonia een subsidieverhoging verleend.

Bij besluiten van 26 oktober 2005 heeft de minister de door de Stichting het Gelders Orkest en de Stichting het Brabants Orkest (hierna: de twee orkesten) tegen deze besluiten gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 5 maart 2007, verzonden op 12 maart 2007, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) de door de twee orkesten daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 mei 2007.

De twee orkesten hebben van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. S. van Heukelom-Verhagen, advocaat te Den Haag en D.M. Stam, ambtenaar bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en het Gelders Orkest en het Brabants Orkest, vertegenwoordigd door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, de [directeur] van de Stichting het Gelders Orkest en de [directeur] van de Stichting het Brabants Orkest, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Bij besluiten van 31 januari 2005, 18 februari 2005 en 28 februari 2005 heeft de minister aan het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Orkest van het Oosten en het Nederlands Ballet- en Symfonieorkest Holland Symfonia een subsidieverhoging toegekend van onderscheidenlijk € 240.000, € 140.000 en € 220.000 per jaar voor de Cultuurnotaperiode van 2005-2008, zulks ter compensatie van een korting op de subsidie van deze orkesten. Deze verhoging werd bekostigd uit een voor ieder jaar van deze Cultuurnotaperiode door de minister beschikbaar gesteld extra bedrag van € 600.000 voor orkesten met begeleidingstaken. Dit extra bedrag was beschikbaar gesteld naar aanleiding van een bij het Notaoverleg Cultuur van 22 november 2004 ingediende amendement (Kamerstukken II 2004/05, 29 800 VII, nr. 96). De rechtbank heeft de twee orkesten, anders dan de minister heeft geoordeeld in zijn besluit op bezwaar van 26 oktober 2005, als belanghebbende bij deze subsidiebesluiten aangemerkt.

2.3. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte de twee orkesten als belanghebbende heeft aangemerkt.

2.3.1. Van belang is dat het bedrag dat als extra subsidie onder de orkesten is verdeeld, niet was gebonden aan een maximum. De minister heeft in januari en februari 2005 de voor vier achtereenvolgende jaren beschikbaar gestelde € 600.000 verdeeld onder het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Orkest van het Oosten en het Nederlands Ballet- en Symfonieorkest Holland Symfonia, naar rato van hun begeleidingstaken. In september 2005 heeft de minister dit jaarlijkse bedrag van € 600.000 anders verdeeld, namelijk onder alle orkesten in het Nederlands bestel met een begeleidingstaak, naar rato van hun begeleidingstaken. De minister heeft toen echter, met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel, de voor het jaar 2005 reeds aan het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Orkest van het Oosten en het Nederlands Ballet- en Symfonieorkest Holland Symfonia verleende extra subsidie niet verlaagd. Daardoor heeft hij voor het jaar 2005 in totaal meer extra subsidie verleend dan de € 600.000 die hij in eerste instantie beschikbaar had gesteld.

2.3.2. Omdat er voor het jaar 2005 geen maximum was aan de beschikbare financiële middelen ten behoeve van de verhoging van subsidie aan de orkesten, kan niet worden volgehouden dat de twee orkesten door de verhoging van de subsidies aan de het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Orkest van het Oosten en het Nederlands Ballet- en Symfonieorkest Holland Symfonia voor het jaar 2005 rechtstreeks in hun belang zijn getroffen. Dat de orkesten als concurrent van elkaar zijn te beschouwen omdat hun verzorgingsgebieden niet strikt te scheiden zijn, levert geen rechtstreeks belang op. Doorslaggevend is dat de hoogte van de aan de twee orkesten verleende extra subsidies voor het jaar 2005 door het ontbreken van een maximum aan de beschikbare financiële middelen voor deze subsidies, niet bepaald is door de voor dat jaar verleende extra subsidies aan het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Orkest van het Oosten en het Nederlands Ballet- en Symfonieorkest Holland Symfonia. De subsidieverhogingen voor deze drie orkesten laten immers onverlet dat de subsidies die aan de twee orkesten worden verleend, ook worden verhoogd, zoals is gebeurd. Bij de subsidieverhogingen voor het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Orkest van het Oosten en het Nederlands Ballet- en Symfonieorkest Holland Symfonia zijn bovendien geen verplichtingen opgelegd die van invloed kunnen zijn op de positie van de twee orkesten. Derhalve is de rechtbank ten onrechte tot de slotsom gekomen dat de minister de twee orkesten ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De bij de rechtbank ingestelde beroepen dienen, nu de minister de door de twee orkesten gemaakte bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 maart 2007 in zaken nos. 05/953, 05/1035, 05/5028 en 05/5151;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

164-554.