Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6445

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200705746/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) opnieuw beslist op het door [wijlen partij] gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om inzage in de op hem betrekking hebbende, door de Plaatselijke Inlichtingendienst Nijmegen onder verantwoordelijkheid van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (thans geheten Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, hierna: de AIVD) aangelegde dossiers, indien en voor zover aanwezig, dit bezwaar gegrond verklaard, de besluiten van 29 september 1998 en 27 maart 2002 herroepen en hem alsnog een aantal gegevens verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 196

Uitspraak

200705746/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaatsen],

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/3869 van de rechtbank Arnhem van 4 juli 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) opnieuw beslist op het door [wijlen partij] gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om inzage in de op hem betrekking hebbende, door de Plaatselijke Inlichtingendienst Nijmegen onder verantwoordelijkheid van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (thans geheten Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, hierna: de AIVD) aangelegde dossiers, indien en voor zover aanwezig, dit bezwaar gegrond verklaard, de besluiten van 29 september 1998 en 27 maart 2002 herroepen en hem alsnog een aantal gegevens verstrekt.

Bij uitspraak van 4 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [wijlen partij] daartegen ingestelde en door [appellanten] (hierna: [de erven]) overgenomen beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [de erven] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op

10 september 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[de erven] hebben de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2008, waar [de erven] in de persoon van [appellant A], bijgestaan door F.J.J.M. Schoenmaeckers, gemachtigde, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.M.P. van Verseveld, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de Wiv 2002), voor zover thans van belang, deelt de minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van de AIVD zijn verwerkt.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Wiv 2002 is artikel 47 van overeenkomstige toepassing op een aanvraag met betrekking tot persoonsgegevens die zijn verwerkt door of ten behoeve van de AIVD ten aanzien van een overleden echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt de aanvraag in de gevallen dat blijkt dat de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op gegevens van een persoon die nog niet is overleden of op gegevens van een overleden persoon die niet de hoedanigheid van echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager heeft, niet ontvankelijk verklaard.

2.2. [wijlen partij] heeft op 15 september 1992 verzocht om inzage in de op hem betrekking hebbende door de Plaatselijke Inlichtingendienst Nijmegen onder verantwoordelijkheid van de Binnenlandse Veiligheidsdienst aangelegde dossiers. Bij besluit van 20 december 1996, gehandhaafd bij besluit van 29 september 1998, heeft de minister dit verzoek afgewezen. Na vernietiging van het besluit op bezwaar van 29 september 1998 en naderhand van de besluiten op bezwaar van 27 maart 2002 en 20 oktober 2003, heeft de minister op 10 augustus 2005 wederom beslist op het bezwaar, dit gegrond verklaard, de besluiten van 29 september 1998 en 27 maart 2002 herroepen en [wijlen partij] een aantal gegevens verstrekt. Tegen dit besluit heeft [wijlen partij] op 19 september 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 15 november 2005 is hij overleden. [de erven], zijn broer en zuster, hebben de rechtbank vervolgens schriftelijk bericht het door [wijlen partij] ingestelde beroep voort te willen zetten.

2.3. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. Het procesbelang van [wijlen partij] is met zijn overlijden komen te vervallen. [de erven] hebben zich op 30 maart 2006 opgeworpen als belanghebbenden in de procedure. [de erven] zijn niet de echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van [wijlen partij], zodat zij niet behoren tot de kring van informatiegerechtigden als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Wiv 2002. Daaruit volgt dat, indien zij op 30 maart 2006 een aanvraag als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wiv 2002 zouden hebben ingediend, die aanvraag ingevolge artikel 50, derde lid, van de Wiv 2002 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Niet valt in te zien dat [de erven], doordat zij in de brief van 30 maart 2006 hebben gesteld het beroep van [wijlen partij] te willen voortzetten, op dat moment in een gunstiger positie zouden verkeren dan wanneer zij op die datum zelf een aanvraag hadden gedaan en dus als erfgenamen wèl zouden behoren tot de kring van informatiegerechtigden als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Wiv 2002 om de enkele reden dat op de aanvraag van [wijlen partij] zelf een nog niet onherroepelijk geworden besluit was genomen. De conclusie moet zijn dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Gelet hierop, behoeft hetgeen is aangevoerd geen bespreking.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep niet-ontvankelijk verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 juli 2007 in zaak nr. 05/3869;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

419.