Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200705918/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 14 maart 2006 is [appellant] de afgifte van het klein vaarbewijs geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705918/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2007 in zaak nr. 06/4493 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij brief van 14 maart 2006 is [appellant] de afgifte van het klein vaarbewijs geweigerd.

Bij besluit van 3 november 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2007, verzonden op 24 juli 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 11 februari 2008 aan de orde gesteld.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Binnenschepenwet (hierna: de wet) vindt afgifte van een vaarbewijs plaats na overlegging van verklaringen, waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen, die betrekking hebben op de algemene lichamelijke geschiktheid, de geestelijke geschiktheid en de geschiktheid van de gezichts- en gehoororganen.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, wijst de minister artsen aan die onderzoeken of door de aanvrager van een vaarbewijs wordt voldaan aan die eisen. Zij geven een verklaring af, indien het onderzoek met gunstig gevolg heeft plaatsgevonden. Indien uit het onderzoek blijkt, dat het om een beperkte geschiktheid gaat, kunnen aan het vaarbewijs voorschriften worden verbonden, die op het vaarbewijs worden opgenomen.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, blijft het onderzoek, bedoeld in artikel 21 achterwege, indien de aanvrager het klein vaarbewijs wenst te verkrijgen.

Ingevolge het tweede lid wordt in de in het eerste lid bedoelde gevallen volstaan met een eigen verklaring van de aanvrager, waaruit blijkt dat hij lichamelijk, in het bijzonder voor wat betreft zijn gezichts- en gehoororganen, en geestelijk geschikt is voor het beoefenen van de vaart op de binnenwateren.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit vaarbewijzen binnenvaart (hierna: het Besluit) heeft het geneeskundig onderzoek ter afgifte van de geneeskundige verklaring betrekking op de lichamelijke toestand van de aanvrager in het algemeen en in het bijzonder op de gehoorscherpte.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, kan in plaats van de geneeskundige verklaring door de aanvrager van het klein vaarbewijs een eigen verklaring worden overgelegd.

Ingevolge het vijfde lid kan, indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst, door een deskundige, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet, een geneeskundige verklaring worden afgegeven, indien hij van oordeel is dat de afwijking het veilig varen niet nadelig zal beïnvloeden.

Ingevolge het zesde lid geschiedt het opmaken en het beoordelen van de eigen verklaring met inachtneming van de bij regeling van de minister vast te stellen regelen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Regeling geneeskundig onderzoek vaarbewijzen binnenvaart (hierna: de Regeling), voor zover thans van belang, verklaart de deskundige de aanvrager geschikt of ongeschikt.

Ingevolge paragraaf 4, onder a, van Bijlage I Keuringseisen en keuringsaanwijzingen, behorende bij de Regeling, wordt het gehoor voldoende beschouwd, wanneer door een aanvrager fluisteren met of zonder gehoorapparaat, met elk oor afzonderlijk, onder afsluiting van het andere oor duidelijk verstaan wordt:

- op een afstand van 3 meter, indien de aanvrager 25 jaar of jonger is;

- op een afstand van 2 meter, indien de aanvrager ouder dan 25 jaar is.

Ingevolge onderdeel c mag het gehoorverlies van het beste oor gemiddeld niet meer dan 40 dB bedragen voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz.

2.2. [appellant] heeft om afgifte van een geneeskundige verklaring ter verkrijging van het klein vaarbewijs verzocht. Deze is hem bij voormelde brief van 14 maart 2006 geweigerd, omdat hij doof is aan het rechter oor. Aldus is niet voldaan aan de eisen voor afgifte van een vaarbewijs, gesteld in artikel 19 van de wet. Hierop lettend, heeft de Afdeling de brief van 14 maart 2006 verstaan als inhoudend een weigering aan [appellant] een klein vaarbewijs af te geven.

2.3. [appellant] klaagt dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding was om aan hem, ondanks het ontbreken van de geneeskundige verklaring, onder het stellen van een voorschrift het klein vaarbewijs af te geven, heeft miskend dat de door de deskundige uiteengezette achtergrond van de keuringseis, gesteld in bijlage 1, paragraaf 4, onder a, van de Regeling, dat oordeel niet kan dragen, omdat met het gehoor alleen de richting van een geluidsbron vaak niet nauwkeurig is vast te stellen, laat staan de afstand. Daar komt bij dat het niet kunnen vaststellen van de richting van een geluidsbron evenzeer kan gelden op de weg en vergelijkbare eisen daar niet gesteld worden, aldus [appellant] .

2.4. Dat betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 juli 2002, in zaak nr. 200104711/1), bevatten het Besluit en de Regeling nadere bepalingen met betrekking tot de eigen verklaring. Indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst, moet de deskundige beoordelen of die afwijking het veilig varen zal beïnvloeden. De deskundige vormt dat oordeel aan de hand van de keuringseisen en -aanwijzingen, opgenomen in paragraaf 4, Bijlage I van de Regeling.

Aan in de bijlage van de Regeling aan het gehoor gestelde eisen moet zijn voldaan, wil de deskundige een aanvrager van een klein vaarbewijs geschikt kunnen verklaren. Om aan de gestelde eisen te voldoen, mag gebruik worden gemaakt van een ten behoeve van de aanvrager vervaardigd hulpmiddel, zoals - in dit geval - een gehoorapparaat. Een defect aan het gehoor kan niet worden opgeheven of verbeterd door een hulpmiddel, als radarapparatuur, waarmee een schip kan zijn uitgerust. Evenmin kan door de aanwezigheid van een ander persoon aan boord, die niet aan de keuringseisen en -aanwijzingen is onderworpen, aan de gestelde eisen worden voldaan. Dat een radarinstallatie, zoals [appellant] stelt, bij slecht zicht een betrouwbaarder informatiebron is dan het gehoor bij het bepalen in welke richting en op welke afstand een object zich bevindt, betekent, wat daar verder van zij, niet dat niet hoeft te zijn voldaan aan de minimale eisen die aan het gehoor worden gesteld, wil een deskundige een geneeskundige verklaring aan een aanvrager van een klein vaarbewijs kunnen afgeven. Omdat [appellant] niet aan de in de Regeling gestelde eisen voldoet, was er voor de deskundige geen ruimte om hem anderszins geschikt te verklaren. Dat dergelijke eisen, naar [appellant] stelt, niet worden gesteld aan automobilisten, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de beoordeling van de rijvaardigheid aan de hand van andere criteria plaatsvindt. Voor de door [appellant] aangeboden bewijslevering door middel van het horen van getuigen is, gelet op het vorenoverwogene, geen aanleiding.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de verwijzing door de rechtbank naar het bepaalde in artikel 11 van de Regeling dat de deskundige niet de ruimte had hem beperkt geschikt te verklaren haar beslissing niet kan dragen, aangezien de wet in de mogelijkheid voorziet een aanvrager beperkt geschikt te verklaren en de Regeling daarvoor dient te wijken. Daar komt bij dat aan een klein vaarbewijs voorschriften kunnen worden verbonden. De wet beperkt deze mogelijkheid niet tot aanpassingen aan persoon of schip. Hetgeen in de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de wet van 19 december 2002 (Stb. 2003, 13) is aangehaald, moet als voorbeelden van voorschriften worden aangemerkt, aldus [appellant].

2.6. Dat betoog faalt evenzeer. De beperkte geschiktheid, bedoeld in artikel 21 van de wet, ziet volgens de toelichting (MvT 2001-2002, 28 501, nr. 3) op een beperkte medische geschiktheid, derhalve op de situatie dat een aanvrager slechts met gebruikmaking van een hulpmiddel aan de in de bijlage gestelde eisen kan voldoen. Daarbij wordt, zo blijkt uit die toelichting, gedoeld op het gezicht en het gehoor, waarbij alleen door gebruik te maken van een bril of ander vergelijkbaar hulpmiddel, dan wel een gehoorapparaat, voldaan kan worden aan de gestelde eisen. Voldoet een aanvrager met gebruikmaking van zulke hulpmiddelen daaraan, dan verklaart de medisch deskundige de aanvrager geschikt, zij het dat aan het af te geven vaarbewijs het voorschrift wordt verbonden dat die hulpmiddelen bij het varen worden gebruikt.

De eigen verklaring van [appellant] strekt ertoe dat hij aan enige afwijking lijdt. Niet in geschil is dat hij doof is aan het rechter oor en niet met enig daarvoor geschikt hulpmiddel kan worden bereikt dat hij aan de gestelde eisen voldoet.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.

176-384.