Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200704696/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rucphen (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast een zomerverblijf op het perceel, kadastraal bekend gemeente Rucphen sectie […], nummer […], (hierna: het perceel) in overeenstemming te brengen met de daarvoor verleende bouwvergunning en een op het perceel aanwezige berging te slopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/136

Uitspraak

200704696/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4921 van de rechtbank Breda van 30 mei 2007 in het geding tussen:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rucphen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rucphen (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast een zomerverblijf op het perceel, kadastraal bekend gemeente Rucphen sectie […], nummer […], (hierna: het perceel) in overeenstemming te brengen met de daarvoor verleende bouwvergunning en een op het perceel aanwezige berging te slopen.

Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de last niet meer de sloop van de berging omvat.

Bij besluit van 3 januari 2007 heeft het college de motivering van het besluit van 15 augustus 2006 gewijzigd.

Bij uitspraak van 30 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan het college toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal, en het college, vertegenwoordigd door P.J.M. van Overveld en C.M. Winkels, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.2. Het zomerverblijf is in afwijking van de daarvoor op 21 juli 2004 verleende bouwvergunning gebouwd, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisering bestaat. Daartoe verwijst hij naar de te verwachten planologische ontwikkelingen in het plangebied.

2.4.1. Dit betoog faalt. Bij de behandeling ter zitting van de rechtbank heeft het college verklaard dat voor het plangebied weliswaar een nieuw bestemmingsplan in ontwikkeling is, maar dat hiervoor ten tijde van het bestreden besluit nog geen voorontwerp ter visie was gelegd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 februari 2005, in zaak nr. 200404732/1, is voor het bestaan van concreet zicht op legalisering in het algemeen niet voldoende dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar een voorontwerp van een bestemmingsplanherziening ter inzage is gelegd. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien, omdat dit optreden, gelet op de geringe aard en ernst van de overtreding, onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2.5.1. Ook dit betoog faalt. Bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een zomerverblijf met een oppervlakte van 30 m². De oppervlakte van het zomerverblijf zoals gerealiseerd, bedraagt circa 41,41 m².

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college niet van handhavend optreden hoefde af te zien omdat dat onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, omdat de uitbreiding van het zomerverblijf in afwijking van de daarvoor verleende bouwvergunning, met ruim 11,41 m², meer dan een derde van de vergunde oppervlakte, niet kon worden beschouwd als een overtreding van zeer geringe aard en ernst. De omstandigheid dat het zomerverblijf is gelegen op een groot en open terrein, is in dit verband niet relevant. Dat, naar [appellant] stelt, het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" de mogelijkheid biedt de oppervlakte van het zomerverblijf uit te breiden met 10%, doet evenmin aan de aard en ernst van de overtreding af, reeds omdat in dit geval de overschrijding meer dan 30 % bedraagt.

Voorts behoefde de omstandigheid dat de caravan van de zuster van [appellant] op het belendende perceel na aankoop door [appellant] kan worden verwijderd, zodat de gezamenlijke bebouwingsoppervlakte op deze percelen af zal nemen, zoals [appellant] betoogt, voor het college geen aanleiding te zijn van handhavend optreden af te zien. In de overtreding, het bouwen in afwijking van een daartoe verleende bouwvergunning, wordt met de verwijdering van voormelde caravan immers geen verandering gebracht. Bovendien is voor de plaatsing van de caravan aan de zuster van [appellant] een persoonsgebonden gedoogbeschikking afgegeven, zo heeft het college ter zitting van de Afdeling meegedeeld, zodat deze caravan na verkoop daarvan toch al zou moeten worden verwijderd.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien, omdat dit optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij wijst hij op een zomerverblijf, een tweetal chalets en een groot aantal bouwwerken op twee campings elders in de gemeente Rucphen, waartegen door het college niet handhavend is opgetreden.

2.6.1. Dit betoog faalt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem bedoelde chalets in afwijking van de daarvoor verleende bouwvergunning zijn gebouwd, zodat deze gevallen niet met het onderhavige vergelijkbaar zijn. Voor zover [appellant] heeft gewezen op een in afwijking van de bouwvergunning gebouwd zomerverblijf op een in het plangebied gelegen perceel, waarop eveneens de bestemming "Multifunctioneel Bos" rust, is dat tevergeefs. Ter zitting van de Afdeling heeft het college te kennen gegeven terzake tot handhavend optreden te zijn overgegaan. De door [appellant] bedoelde bouwwerken op de campings zijn evenmin met het zomerverblijf van [appellant] te vergelijken, nu deze zijn gesitueerd op gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden". Bovendien heeft het college ter zitting onweersproken gesteld dat voor deze bouwwerken bouwvergunningen kunnen worden verleend, zodat de mogelijkheid tot legalisering bestaat.

2.7. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden behoorde af te zien.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

17-476.