Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200704515/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning en vrijstelling voor het veranderen van een postkantoor tot een kantoor en een bovenwoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) opnieuw ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704515/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/8329 van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 juni 2007 in het geding tussen:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning en vrijstelling voor het veranderen van een postkantoor tot een kantoor en een bovenwoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2007, verzonden op 8 juni 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2008, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door E.R.J. Herklots, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De door [appellant] gevoerde procedures tegen het besluit van 22 maart 2001 om bouwvergunning voor het voorliggende bouwplan te verlenen, hebben geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2003, nr. 200205228/1. Bij die uitspraak heeft de Afdeling het door [appellant] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 9 augustus 2002 en het besluit op bezwaar van het college van 11 juli 2001 vernietigd. Bij uitspraak van 27 juni 2005 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar van 28 juli 2004 gegrond verklaard. Bij besluit van 6 december 2005 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) heeft verleend nu niet duidelijk is welk bouwplan aan die vrijstelling ten grondslag heeft gelegen.

2.2.1. Het betoog faalt. Gelet op de stukken, waaronder het besluit van 6 december 2005 waarin duidelijk wordt verwezen naar het oorspronkelijke bouwplan van 22 maart 2001, en het proces verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank, bestaat geen onduidelijkheid over het bouwplan waarvoor bouwvergunning is verleend. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan was voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. [appellant] voert daartoe aan dat de ruimtelijke onderbouwing van het college van juli 2004 onvoldoende is en dat het college na de uitspraak van de rechtbank 27 juni 2005 de ruimtelijke onderbouwing niet heeft verbeterd.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat aan de ruimtelijke onderbouwing minder zware eisen hoefden te worden gesteld, aangezien de wijziging van een postkantoor met dienstwoning naar een kantoor met dienstwoning slechts een geringe inbreuk op het bestaande planologische regime met zich brengt. Anders dan [appellant] aanvoert kan uit de uitspraak van de rechtbank van 27 juni 2005 niet worden afgeleid dat de rechtbank in die uitspraak de ruimtelijke onderbouwing bij het besluit van 28 juli 2004 onvoldoende achtte. Het college heeft de ruimtelijke onderbouwing van juli 2004 in zijn besluit op bezwaar van 6 december 2005 voorts aangevuld door te overwegen dat de functie van het pand slechts in geringe mate wordt gewijzigd, aangezien er voorheen een postkantoor en een dienstwoning was, terwijl het bouwplan in een kantoor en dienstwoning voorziet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de ruimtelijke onderbouwing van het college zoals opgenomen in dat besluit op bezwaar toereikend is. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat aan de vrijstelling geen objectieve belangenafweging ten grondslag ligt.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in zijn besluit van 6 december 2005, anders dan in zijn besluit van 28 juli 2004, de belangen van [appellant] heeft afgewogen. In aanmerking genomen dat het bouwplan slechts een geringe afwijking van de planvoorschriften met zich brengt en [appellant] zijn eigen belangen onbesproken laat, heeft de rechtbank de belangenafweging terecht voldoende geacht. Ter zitting heeft [appellant] ter toelichting van zijn bezwaar dat hier sprake is van het bouwen van een woning vóór de woning van [partij] aangevoerd dat het bouwen van een woning vóór een andere woning, planologisch gezien, niet kan worden gerechtvaardigd. Dit enkele argument is echter niet voldoende om aannemelijk te maken dat hij onevenredig in zijn belangen is geschaad. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college aan de belangen van [vergunninghouder] bij realisering van het bouwplan een groter gewicht mocht toekennen dan aan de belangen van [appellant].

2.4.2. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college bij besluit van 6 december 2005 in redelijkheid vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, heeft kunnen verlenen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Steinebach-de Wit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

328-560.