Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200704030/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goes (hierna: het college) aan de stichting Stichting Scholengroep Noord- en Midden Zeeland (hierna: de stichting) een bedrag van € 75.000,00 beschikbaar gesteld ten behoeve van bouwkundige aanpassingen ter verkrijging van een gebruiksvergunning voor het schoolgebouw van het Goese Lyceum.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:21
Algemene wet bestuursrecht 4:23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/106 met annotatie van Ellen Hardy
ROT 2008/29

Uitspraak

200704030/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Scholengroep Noord- en Midden Zeeland, gevestigd te Goes,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/916 van de rechtbank Middelburg van 1 mei 2007 in het geding tussen:

de stichting Stichting Scholengroep Noord- en Midden Zeeland

en

het college van burgemeester en wethouders van Goes.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goes (hierna: het college) aan de stichting Stichting Scholengroep Noord- en Midden Zeeland (hierna: de stichting) een bedrag van € 75.000,00 beschikbaar gesteld ten behoeve van bouwkundige aanpassingen ter verkrijging van een gebruiksvergunning voor het schoolgebouw van het Goese Lyceum.

Bij besluit van 24 augustus 2005 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. M.W. Dieleman, advocaat te Middelburg, en vergezeld van A.J.G, Heesters, A.M. Lindhout, A.P.M. Wevers en A.J.G. van Valkenburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. van Belzen en R.N. van Velzen, beiden ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder subsidie verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuurorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

Ingevolge artikel 4:23, eerste lid, verstrekt een bestuurorgaan slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

Ingevolge artikel 4:23, derde lid, is het eerste lid niet van toepassing:

a. in afwachting van de totstandkoming van een wettelijk voorschrift gedurende ten hoogste een jaar of totdat een binnen dat jaar bij de Staten-Generaal ingediend wetsvoorstel is verworpen of tot wet is verheven en in werking is getreden;

b. (…)

c. indien de begroting de subsidie-ontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt, of

d. in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt.

2.2. Het college heeft het besluit van 5 april 2005 gebaseerd op de door hem op 24 april 2003 vastgestelde Beleidsregel voor bouwkundige en installatietechnische maatregelen ter verkrijging van een gebruiksvergunning (hierna: de Beleidsregel). Bij brief van 10 december 2003 heeft het college de schoolbesturen medegedeeld dat de nota's betreffende die maatregelen voor rekening van de gemeente uiterlijk tot 1 januari 2004 ingediend kunnen worden. De aanvraag van de stichting is na die datum bij de gemeente ingekomen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de te late indiening niet geheel aan de stichting is toe te rekenen en heeft daarom 50% van het bedrag van de door de stichting geraamde kosten toegekend.

2.3. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door het college gehanteerde beleidsregel niet voorziet in een datum waarop haar aanvraag bij de gemeente moest zijn ingediend. In het na de gestelde datum indienen van de aanvraag kon dan ook geen grond zijn gelegen de gevraagde subsidie te halveren.

2.4. Bij het besluit waarbij het college de genoemde beleidsregel heeft vastgesteld heeft het college tevens beslist dat de gemeenteraad zal worden voorgesteld deze beleidsregel tegelijk met de nieuwe verordening betreffende de huisvestingsvoorzieningen van het onderwijs in de gemeente Goes vast te stellen. Bij het besluit is gevoegd de "Concept-beleidsregel voor bouwkundige en installatietechnische maatregelen ter verkrijging van een gebruiksvergunning", welk concept blijkens de bewoordingen is opgesteld als een door de gemeenteraad op grond van artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs te nemen besluit. De Afdeling ziet zich aldus gesteld voor de vraag naar de bevoegdheid van het college om de onderhavige subsidie te verstrekken.

2.5. De door het college aan zijn besluiten ten grondslag gelegde Beleidsregel is niet gestoeld op een aan het college op grond van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van de gemeente Goes toekomende bevoegdheid tot het verlenen van subsidie voor de in de Beleidsregel genoemde maatregelen. Die verordening voorziet voorts niet in een bevoegdheid om subsidie toe te kennen voor de onderhavige werkzaamheden. Ook overigens is niet gebleken dat de subsidie op een wettelijk voorschrift berust. Ter zitting is dit van de zijde van het college erkend. Een van de in het derde lid van artikel 4:23 van de Awb genoemde uitzonderingen doet zich hier niet voor. De subsidie is derhalve wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag in strijd met artikel 4:23, eerste lid, van de Awb aan de stichting verstrekt. De slotsom is dat het besluit van 5 april 2005 onbevoegd is genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Aan hetgeen de stichting in hoger beroep inhoudelijk heeft aangevoerd, komt de Afdeling reeds daarom niet toe.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 24 augustus 2005 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Om te vermijden dat de stichting er door het instellen van hoger beroep op achteruit zou gaan, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 24 augustus 2005 in stand laten.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van de stichting te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 1 mei 2007 in zaak nr. 05/916;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 24 augustus 2005, kenmerk 2005/3971;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 24 augustus 2005 geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college tot vergoeding van bij de stichting in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Goes aan de stichting onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de gemeente Goes aan de stichting het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 704,00 (zegge: zevenhonderdvier euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Poot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

47-496.