Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6413

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200706071/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2005 heeft de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam (hierna: de raad voor rechtsbijstand) een aanvraag ten behoeve van appellant om een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706071/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/982 van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2005 heeft de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam (hierna: de raad voor rechtsbijstand) een aanvraag ten behoeve van appellant om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft de raad voor rechtsbijstand het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2007, verzonden op 23 juli 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 20 augustus 2007 en doorgezonden naar Raad van State, hoger beroep ingesteld.

De raad voor rechtsbijstand heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2008, waar [appellant], in persoon, is verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting niet gesloten. Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant] en de raad voor rechtsbijstand nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft met hun toestemming afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 6:17 van de Awb zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad voor rechtsbijstand zijn bezwaar, ingekomen op 12 oktober 2005, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat de raad voor rechtsbijstand niet heeft aangetoond dat het primaire besluit daadwerkelijk op de beweerde datum aan zijn gemachtigde is verzonden en tijdig door zijn gemachtigde is ontvangen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank voorts miskend dat hij erop mocht vertrouwen dat hij in persoon bericht zou krijgen van het primaire besluit. Daartoe stelt hij dat hij in persoon stukken heeft ingediend bij de raad voor rechtsbijstand en dat in deze stukken zijn gewijzigde woonadres is vermeld.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juli 2004 in zaak nr. 200308451/1) volgt uit artikel 2:1 van de Awb in samenhang met artikel 6:17 van de Awb dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat bekendmaking op de voorgeschreven wijze geschiedt door toezending van een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde. Hierbij is niet doorslaggevend of het besluit daarnaast ook aan de belanghebbende zelf is gestuurd. De aanvraag om een toevoeging ten behoeve van [appellant] is ingediend door diens gemachtigde, mr. G. Boot, advocaat te De Bilt. Tevens heeft na indiening van de aanvraag en voorafgaand aan het primaire besluit uitsluitend correspondentie plaatsgevonden tussen mr. G. Boot en de raad voor rechtsbijstand. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de bekendmaking van het primaire besluit diende te geschieden door toezending ervan aan mr. G. Boot als gemachtigde van [appellant] en dat de gestelde adreswijziging van [appellant] niet van belang is voor de aanvang van de bezwaartermijn.

2.2.2. In geval van niet aangetekende verzending van een besluit dient het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Eerst indien het bestuursorgaan daarin is geslaagd, ligt het op de weg van de geadresseerde om, indien daartoe aanleiding bestaat, de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.

Niet in geschil is dat het primaire besluit niet aangetekend is verzonden. Bij brief van 4 februari 2008 heeft de raad voor rechtsbijstand aangevoerd dat de aanduiding "2005.08.26 17:37" op het primaire besluit de dag en het tijdstip vermeldt waarop het besluit is afgedrukt en dat een besluit altijd op de dag waarop het wordt afgedrukt wordt verstuurd, tenzij het tijdstip van afdrukken aanzienlijk later is dan het tijdstip waarop de postkamer een besluit ter verzending krijgt aangeboden. Gelet op het tijdstip van afdrukken is het primaire besluit verzonden op de eerste werkdag volgend op de dag waarop het is afgedrukt, zijnde 29 augustus 2005, zo stelt de raad voor rechtsbijstand.

Dit betoog strookt niet met de berekening van de bezwaartermijn in het besluit op bezwaar, welke kennelijk uitgaat van verzending van het primaire besluit op 26 augustus 2005. Voorts heeft de raad voor rechtsbijstand, door in voormelde zin te verwijzen naar de algemeen gebruikelijke gang van zaken bij verzending van besluiten, niet aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit is verzonden op 29 augustus 2005 of enige andere datum, nu geen controle mogelijk is of die gang van zaken ook in dit geval is gevolgd. De rechtbank heeft ten onrechte aannemelijk gemaakt geacht dat het primaire besluit op 26 augustus 2005 is verzonden en, nu ook de in hoger beroep gestelde verzenddatum niet aannemelijk is gemaakt, ten onrechte geen grond gezien voor het oordeel dat het bezwaar niet vanwege overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift niet-ontvankelijk had mogen worden verklaard.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 februari 2006 van de raad voor rechtsbijstand alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling verstaat dat thans inhoudelijk op het bezwaar wordt beslist.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2007 in zaak nr. 06/982;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam van 7 februari 2006, kenmerk 52701/4FA4716/ml;

V. gelast dat de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Können

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

301.