Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6407

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200704479/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Staphorst (hierna: het college) geweigerd om handhavend op te treden tegen het recreatieve gebruik van zomerhuisjes op het recreatiepark Landgoed 't Veldhuijs, gelegen op het perceel Veldhuisweg 1 te IJhorst (hierna: het perceel), in de periode van 1 november tot 1 maart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704479/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Staphorst,

tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 06/2347 van de rechtbank Zwolle van 25 mei 2007 in het geding tussen:

Th. [appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Staphorst (hierna: het college) geweigerd om handhavend op te treden tegen het recreatieve gebruik van zomerhuisjes op het recreatiepark Landgoed 't Veldhuijs, gelegen op het perceel Veldhuisweg 1 te IJhorst (hierna: het perceel), in de periode van 1 november tot 1 maart.

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2008, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door

ing. R. Stegeman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" is het perceel bestemd voor "verblijfsrecreatieve doeleinden".

Ingevolge artikel 17, onderdeel A, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn gronden met deze bestemming bestemd voor het recreatief verblijf in zomerhuizen of kampeermiddelen met daarbij behorende voorzieningen - waaronder begrepen sanitaire voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het onderhoud en beheer - met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en terreinen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder ah, van de voorschriften wordt onder een zomerhuis verstaan: een gebouw dat periodiek dient voor recreatief (nacht-)verblijf voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben.

Ingevolge artikel 17, onderdeel C, van de voorschriften is permanente bewoning van zomerhuizen en kampeermiddelen niet toegestaan.

2.2. Anders dan [appellant] heeft betoogd is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat uit de planvoorschriften niet volgt dat periodiek gebruik van zomerhuizen in de periode van 1 november tot 1 maart niet is toegestaan. Hieraan doet niet af, zoals [appellant] heeft gesteld, dat woordenboeken een zomerhuis omschrijven als een huis dat zomers wordt bewoond en dat ook in het normale spraakgebruik het woord 'zomerhuis' die betekenis heeft. In dezen is immers bepalend de definitie van zomerhuis in artikel 1, aanhef en onder ah, van de planvoorschriften. Uit die definitie volgt niet dat periodiek recreatief verblijf in een zomerhuis tot de zomerperiode dient te worden beperkt.

Hetgeen [appellant] in dit verband verder nog heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunt voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank.

2.3. De rechtbank is derhalve tot het juiste oordeel gekomen dat het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden diende af te wijzen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

202.