Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200704216/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om het met de planvoorschriften strijdige gebruik van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als psychologiepraktijk op te heffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704216/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/546 van de rechtbank Almelo van 8 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om het met de planvoorschriften strijdige gebruik van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als psychologiepraktijk op te heffen.

Bij besluit van 21 januari 2005 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 22 april 2004 ingetrokken.

Bij uitspraak van 4 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 15 maart 2006 heeft het college het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 18 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juli 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 augustus 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.G.M. Stassen, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door N.O. Knobben, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep spitst het geschil zich in de eerste plaats toe op de vraag of de rechtbank tot het juiste oordeel is gekomen dat het college ten tijde van het besluit van 22 april 2004 de last onder dwangsom mocht opleggen.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet de gelegenheid heeft gegeven om een zienswijze naar voren te brengen alvorens het besluit van 22 april 2004 te nemen. [appellant] voert daartoe aan dat het college zijn faxbericht van 24 februari 2004 niet als zienswijze had mogen aanmerken, omdat hierin slechts staat dat [appellant] zich voorbehoudt een zienswijze in te dienen.

2.2.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat [appellant] in het hiervoor genoemde faxbericht heeft vermeld dat hij door middel van dat faxbericht gebruik wilde maken van de mogelijkheid om zijn zienswijze naar voren te brengen en heeft dus terecht geoordeeld dat het college het faxbericht als zienswijze mocht aanmerken. Het gegeven dat het college een nadere inhoudelijke toelichting niet meer heeft afgewacht en evenmin heeft voldaan aan het verzoek om nadere informatie toe te sturen, biedt geen grond voor een ander oordeel.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Tegelerweg" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "Eengezinshuizen in 1 bouwlaag".

Ingevolge artikel 10 van de planvoorschriften, voor zover thans relevant, is het verboden de gronden en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming en de daarbij behorende voorschriften.

2.4. Niet in geschil is dat de woning op het perceel in 2003 gedeeltelijk als psychologiepraktijk in gebruik is genomen en dat dit gebruik in strijd was met het bestemmingsplan. Een verzoek van [appellant] om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) voor het gebruik van een gedeelte van de woning als psychologiepraktijk is bij besluit van 4 februari 2004 afgewezen. Tot handhaving is het college eerst overgegaan nadat het besluit van 4 februari 2004 in rechte onaantastbaar was geworden. Het college was bevoegd handhavend op te treden.

2.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voorafgaand aan het opleggen van de last onder dwangsom ten onrechte voorbij is gegaan aan de op dat moment bestaande mogelijkheid om voor het (mede)gebruik van de woning als psychologiepraktijk een tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen als bedoeld in artikel 17 van de WRO. [appellant] voert daartoe aan dat hij toen reeds een huurcontract had afgesloten voor een pand aan de [locatie]. Naar [appellant] stelt, was daarmee voldoende duidelijk dat het gebruik van de woning op het perceel als psychologiepraktijk nog slechts tijdelijk zou zijn totdat de verhuizing naar de [locatie] zou plaatsvinden, zodat het college had moeten afzien van handhaving.

2.6.1. Dit betoog faalt. Vooropgesteld zij dat [appellant] alvorens het besluit van 22 april 2004 werd genomen niet uitdrukkelijk om een tijdelijke vrijstelling had verzocht. De rechtbank heeft terecht overwogen, dat voor een dergelijke vrijstelling vereist is dat er voldoende concrete, objectieve gegevens zijn om aan te nemen dat de psychologiepraktijk slechts tijdelijk in de woning op het perceel gevestigd zou blijven. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar haar uitspraak van 16 juli 2003 in zaak nr. 200202902/1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van dergelijke gegevens niet was gebleken ten tijde van het besluit van 22 april 2004.

Weliswaar had [appellant] reeds op 15 maart 2004 bouwvergunning aangevraagd voor het verbouwen van het pand aan de [locatie] ten behoeve van de psychologiepraktijk, waarvoor vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO nodig was, maar de daarvoor benodigde verklaring van geen bezwaar is eerst op 12 augustus 2004 verleend door het college van gedeputeerde staten van Overijssel. Voorts heeft de rechtbank in dit verband terecht overwogen dat ten tijde van het besluit van 22 april 2004 nog geen huurcontract bestond voor het pand aan de [locatie].

Het vorenstaande in aanmerking genomen is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat ten tijde van het besluit van 22 april 2004 geen concreet zicht op legalisatie bestond in de vorm van het verlenen van een tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO.

2.7. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in hetgeen [appellant] heeft betoogd geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen die het college van handhavend optreden hadden moeten doen afzien.

2.8. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college de begunstigingstermijn niet in redelijkheid op twee weken kon vaststellen aangezien zijn psychologiepraktijk moeilijk op zo korte termijn naar de nieuwe locatie kon worden verplaatst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de termijn als bedoeld in artikel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet bedoeld is om [appellant] tijd te gunnen om een definitieve locatie voor de praktijk te vinden. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de termijn niet onredelijk kort is, in aanmerking genomen ook dat [appellant] de overtreding binnen de gestelde begunstigingstermijn heeft kunnen opheffen. De omstandigheid dat [appellant], naar hij stelt, nooit afspraken met het college heeft gemaakt over het opheffen van het strijdige gebruik doet aan het vorenstaande niet af.

2.9. Het betoog van [appellant] dat de te verbeuren dwangsom van € 5.000,- per week tot een maximum van € 50.000,- te hoog is, treft geen doel. Het college heeft terecht het voordeel in aanmerking genomen dat bij voortgezette overtreding wordt behaald met de besparing van kosten van een tijdelijke sluiting van de praktijk en van een tijdelijk onderkomen elders en voorts van een verhuizing. Gelet op de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging en in aanmerking genomen de hiervoor omschreven voordelen die [appellant] had bij voortzetting van de overtreding, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de dwangsom niet tot een buitenproportioneel bedrag is vastgesteld.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

218-560.