Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200708808/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het bewerken en overslaan van afvalstoffen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 november 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/449

Uitspraak

200708808/2.

Datum uitspraak: 7 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Deto Beheer B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recyclingmaatschappij Steenkorrel Amsterdam B.V., beide gevestigd te Amsterdam,

verzoeksters,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het bewerken en overslaan van afvalstoffen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 november 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Deto Beheer B.V. (hierna: Deto Beheer) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recycling Maatschappij Steenkorrel Amsterdam B.V. (hierna: RMSA), bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2007, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2007, hebben Deto Beheer en RMSA de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 februari 2008, waar Deto Beheer en RMSA, vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, en vergezeld door haar [directeur], E. van Herel en M.H. van de Pavoordt, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, W.J. Dam en ing. P.E. van Houten, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en vergezeld door haar [directeur] en ing. R. Jansen, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ter zitting hebben Deto Beheer en RMSA verklaard dat het verzoekschrift geacht moet worden te zijn ingediend door Deto Beheer. Tevens is ter zitting het verzoek ingetrokken voor zover het betrekking heeft op de inpandige plaatsing van de puinbreekinstallatie en de vloeistofdichte vloer in relatie tot het afzeven van brekerzeefzand.

2.3. Deto Beheer stelt dat de gevolgen van het in werking zijn van de inrichting voor de luchtkwaliteit onjuist zijn vastgesteld. Hiertoe voert zij, kort weergegeven, aan dat in de berekening van de luchtkwaliteit een te klein aantal transportbewegingen is betrokken. Volgens haar had moeten worden uitgegaan van het aantal transportbewegingen waarmee in het akoestisch rapport is gerekend voor het bepalen van de geluidbelasting vanwege de inrichting in een representatieve bedrijfssituatie.

2.3.1. Het college voert aan dat aan de berekeningen van zowel de geluidbelasting vanwege de inrichting als de luchtkwaliteit hetzelfde aantal transportbewegingen ten grondslag heeft gelegen. Dit aantal is echter bij het bepalen van de geluidbelasting van de representatieve bedrijfssituatie vermenigvuldigd met een rekenkundige factor teneinde rekening te houden met drukke dagen. Deze rekenkundige factor is voor de berekening van de luchtkwaliteit niet van belang, aldus het college. Gelet op het voorgaande stelt het zich op het standpunt dat ten aanzien van het berekenen van de luchtkwaliteit de juiste uitgangspunten zijn gehanteerd en dat wordt voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005).

2.3.2. De definitieve beantwoording van de vraag of de gevolgen van het in werking zijn van de inrichting voor de luchtkwaliteit op een juiste wijze zijn bepaald, vergt nader onderzoek waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Vooralsnog ziet de voorzitter in hetgeen Deto Beheer heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het college dat wordt voldaan aan het Blk 2005. Hierbij neemt hij in aanmerking dat Deto Beheer ter zitting heeft gesteld dat wordt voldaan aan het Blk 2005 wanneer bij de berekening van de luchtkwaliteit wordt uitgegaan van het haars inziens juiste (grotere) aantal transportbewegingen. In zoverre bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Deto Beheer voert aan dat de aanvraag niet in behandeling had mogen worden genomen, omdat de beschrijving van de procedures van acceptatie en controle van de inkomende afvalstoffen onvolledig is en derhalve niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 5.11, aanhef en onder b, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb). Dit blijkt volgens haar onder meer uit het feit dat het college de voorschriften 2.4 en 2.5 aan de vergunning heeft verbonden.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Hiertoe voert het aan dat de acceptatie- en registratievoorschriften van bijlage 6 van de aanvraag voldoende inzicht geven in de procedures van acceptatie en controle van inkomende afvalstoffen. Om het risico van het mengen van gevaarlijke met niet-gevaarlijke afvalstoffen zoveel mogelijk te beperken, heeft het de voorschriften 2.4 en 2.5 aan de vergunning verbonden.

2.4.2. Ingevolge artikel 5.11, aanhef en onder b, van het Ivb, voor zover hier van belang, vermeldt de aanvrager, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.4, in of bij de aanvraag de procedures van acceptatie en controle van de inkomende afvalstoffen.

Niet in geschil is dat de inrichting behoort tot categorie 28.4 van bijlage I behorende bij het Ivb.

2.4.3. In voorschrift 2.4 is, voor zover thans van belang, bepaald dat door vergunninghoudster een plan moet worden opgesteld voor procedures met betrekking tot acceptatie en verwerking en administratieve organisatie en interne controle.

In voorschrift 2.5, onder a, is bepaald dat het in voorschrift 2.4 bedoelde plan binnen drie maanden nadat de beschikking in werking is getreden schriftelijk aan gedeputeerde staten ter goedkeuring moet zijn voorgelegd.

In voorschrift 2.5, onder b, is bepaald dat binnen acht weken na indiening van een plan als bedoeld onder a gedeputeerde staten een besluit nemen inzake de goedkeuring daarvan.

2.4.4. De voorzitter acht het aannemelijk dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de acceptatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen voor het milieu. Hierbij neemt hij in aanmerking dat binnen de inrichting al enige tijd niet-gevaarlijke afvalstoffen worden geaccepteerd en dat het college niet is gebleken dat dit tot op heden onaanvaardbare milieuhygiënische gevolgen met zich heeft gebracht. Echter, omdat vergunninghoudster geen plan als bedoeld in voorschrift 2.4 aan het college ter goedkeuring heeft overgelegd, bestaat onvoldoende inzicht welke mogelijke gevolgen het voornoemde mengrisico voor het milieu kan hebben en hoe deze gevolgen zoveel mogelijk kunnen worden beperkt. Uit het bestreden besluit blijkt dat het daarbij gaat om de gevolgen van menging van (mogelijk) gevaarlijke afvalstoffen in de vorm van bitumineuze mengsels die koolteer bevatten, asbesthoudend isolatiemateriaal en asbesthoudende bouwmaterialen. Vergunninghoudster heeft ter zitting verklaard bereid te zijn de acceptatie en de be- en verwerking van deze afvalstoffen binnen de inrichting op te schorten totdat het college het plan als bedoeld in voorschrift 2.4 heeft goedgekeurd. Onder deze omstandigheden ziet de voorzitter bij afweging van alle betrokken belangen aanleiding tot het treffen van de hierna te melden voorlopige voorziening.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 17 oktober 2007, kenmerk 2007-50628, voor zover daarbij vergunning is verleend voor de acceptatie en de be- en verwerking van de afvalstoffen bitumineuze mengsels die koolteer bevatten, asbesthoudend isolatiemateriaal en asbesthoudende bouwmaterialen;

II. bepaalt dat de voorlopige voorziening onder I. geldt tot zes weken na de bekendmaking van het besluit tot goedkeuring van het in vergunningvoorschrift 2.4 bedoelde plan, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

III. wijst het verzoek voor het overige af;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij Deto Beheer B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 665,98 (zegge: zeshonderdvijfenzestig euro en achtennegentig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan Deto Beheer B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de provincie Noord-Holland aan Deto Beheer B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2008

159-542.