Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6393

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200705394/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: het college) een verzoek van [verzoeker] om de aan de Stichting Dorpshuis "de Vuurkorf" Nieuweroord (hierna: de Vuurkorf) verleende drank- en horecavergunning in te trekken, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2008/2084

Uitspraak

200705394/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaak nrs. 05/1074 en 06/432 van de rechtbank Assen van 19 juni 2007 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: het college) een verzoek van [verzoeker] om de aan de Stichting Dorpshuis "de Vuurkorf" Nieuweroord (hierna: de Vuurkorf) verleende drank- en horecavergunning in te trekken, afgewezen.

Bij besluit van 25 augustus 2005 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 september 2005 heeft het college aan de Vuurkorf een drank- en horecavergunning verstrekt.

Bij besluit van 8 februari 2006 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juni 2007, verzonden op 20 juni 2007, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het door [verzoeker] tegen het besluit van 25 augustus 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het college heeft geweigerd de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden, dit besluit in zoverre vernietigd, bepaald dat het college deze kosten alsnog dient te vergoeden en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank het door [verzoeker] tegen het besluit van 8 februari 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Na het overlijden van [verzoeker] op 7 september 2007 hebben [appellanten] (hierna: de erven [verzoeker]) de procedure als zijn rechtsopvolgers voortgezet.

De Afdeling heeft de zaak tezamen met zaak nr. 200705403/1 ter zitting behandeld op 30 januari 2008, waar de erven [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. W.B. van den Berg, advocaat te Meppel, het college, vertegenwoordigd door A. Middelveld en L. Walkier, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en de Vuurkorf, vertegenwoordigd door haar [bestuursleden], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3 van de Drank- en horecawet (hierna: de DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, verbinden burgemeester en wethouders aan een vergunning die op grond van artikel 3 voor het horecabedrijf wordt verleend aan een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard, een of meer voorschriften of beperkingen die, gelet op de plaatselijke of regionale omstandigheden, nodig zijn ter voorkoming van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank, die uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, dient het bestuur van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 voor het verkrijgen van een vergunning een reglement vast te stellen dat waarborgt dat de verstrekking van alcoholhoudende drank in de inrichting gedurende de openingstijden vanuit het oogpunt van sociale hygiëne te allen tijde geschiedt door op dit gebied gekwalificeerde personen. De kwalificatienormen hiervoor worden eveneens in het in dit artikel genoemde reglement vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid geeft het reglement in ieder geval aan op welke dagen en tijdstippen bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Deze dagen en tijdstippen worden duidelijk zichtbaar in de horecalokaliteit aangegeven.

Ingevolge het derde lid voorziet het reglement in de wijze waarop wordt toegezien op de naleving.

Ingevolge artikel 21 is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken, indien redelijkerwijs moet worden vermoed, dat dit tot verstoring van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid zal leiden.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, wordt een vergunning geweigerd indien:

a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10, geldende eisen;

b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn;

c. artikel 7, tweede lid, of artikel 31, derde lid, zich tegen de verlening van de gevraagde vergunning verzet;

d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde verboden zal worden overtreden of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, wordt een vergunning verleend, indien geen der in artikel 27 bedoelde weigeringsgronden aanwezig is.

Ingevolge artikel 33, aanhef en onder c, vervalt een vergunning wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

2.2. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. Bij brief van 10 februari 2005 heeft [verzoeker] verzocht om intrekking van de aan de Vuurkorf bij besluit van 30 augustus 1994 verleende drank- en horecavergunning. Bij besluit van 8 september 2005 heeft het college aan de Vuurkorf een nieuwe drank- en horecavergunning verstrekt. Ingevolge artikel 33, aanhef en onder c, van de DHW, is de vergunning van 30 augustus 1994 hiermee vervallen. Dit betekent dat de erven [verzoeker] geen belang meer hebben bij een beoordeling van het verzoek van [verzoeker] om intrekking van de vergunning van 30 augustus 1994. Hetgeen zij hieromtrent in hun hoger beroepschrift hebben aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.

2.3. Door de Vuurkorf worden maandelijks discoavonden georganiseerd voor de plaatselijke jeugd. Deze avonden trekken ongeveer 350 bezoekers in de leeftijdscategorie van 13-18 jaar.

2.4. De erven [verzoeker] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de vergunning van 8 september 2005 had moeten weigeren op de in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de DHW genoemde weigeringsgrond. Volgens hen moet redelijkerwijs worden aangenomen dat artikel 21 van de DHW zal worden overtreden als gevolg van de vergunningverlening. Daartoe verwijzen zij naar de door hen overgelegde rapporten van onderzoeksbureau WNP te Groningen van 9 september 2003, 6 oktober 2003, 16 december 2003 en 14 september 2004. Uit deze rapporten blijkt volgens de erven [verzoeker] van diverse vormen van overlast die door bezoekers van de maandelijkse discoavonden van de Vuurkorf na middernacht, derhalve in voor de nachtrust bestemde uren wordt veroorzaakt, waaronder wildplassen, overgeven in tuinen, aanheffen van spreekkoren en dronkemansliederen en hard schreeuwen en gillen.

2.4.1. Dit betoog slaagt niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan uit de rapportages worden afgeleid dat de discoavonden overlast veroorzaken voor omwonenden, maar is niet gebleken dat deze overlast van dien aard is dat het college een dreiging van de verstoring van de openbare orde had moeten constateren. Terecht heeft de rechtbank in dit oordeel betrokken dat niet is gebleken dat op enig moment politieoptreden noodzakelijk is geweest, dat de betrokken wijkagent ter plaatse onderzoek heeft verricht en op basis daarvan heeft geconcludeerd dat geen sprake is van buitenproportionele overlast en dat de discoavonden zich beperken tot tien avonden per jaar.

Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank terecht het standpunt van het college heeft gevolgd dat zich niet de situatie voordoet dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat artikel 21 van de DHW zal worden overtreden.

2.5. De erven [verzoeker] voeren voorts aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de tekst "N.B. kan afwijken n.a.v. activiteiten" in het alcoholbestuursreglement van de Vuurkorf, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de DHW, voor ongeschreven moet worden gehouden. Volgens hen maakt deze tekst deel uit van de vergunning waardoor deze niet eenduidig is. Nu niet is voldaan aan artikel 9 van de DHW had het college de vergunning op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW, moeten weigeren, aldus de erven [verzoeker].

2.5.1. In het alcoholbestuursreglement van de Vuurkorf van 2 mei 2005 staan in artikel 4 de openingstijden vermeld. Niet in geschil is dat hierbij is geschreven "N.B. kan afwijken n.a.v. activiteiten". Op zaterdag is de openingstijd 19.30 uur tot 01.00 uur.

Ter zitting is door de Vuurkorf medegedeeld dat een eventuele afwijking van de openingstijden niet is bedoeld voor de maandelijkse discoavond en dat de discoavonden altijd vóór 01.00 uur zijn afgelopen. In het rapport van de politie van 27 oktober 2004 staat dat de eindtijd van de maandelijkse discoavond 00.30 uur is. Voorts heeft de Vuurkorf te kennen gegeven dat deze toevoeging in een volgende versie van het reglement wordt geschrapt. Gelet op deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de openingstijden van de Vuurkorf onvoldoende duidelijk staan aangegeven in het reglement en bestond voor het college geen aanleiding om de vergunning om deze reden te weigeren.

2.6. Het betoog van de erven [verzoeker] inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een nadere aanduiding van de ruimten waarvoor de vergunning geldt niet nodig is, faalt evenzeer. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen blijkt uit de vergunning dat deze geldt voor de gemeenschapsruimte, de discozaal en de sportzaal/grote zaal. Niet valt in te zien dat de term gemeenschapsruimte te algemeen is geformuleerd.

2.7. Het betoog van de erven [verzoeker], inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten het college te veroordelen tot vergoeding van de door [verzoeker] in het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2005 gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht, slaagt. De rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard voor zover dit beroep betrekking heeft op de weigering van het college om de in bezwaar gemaakte proceskosten te vergoeden en dit besluit vernietigd in zoverre. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten het college te veroordelen tot vergoeding van de in dit beroep gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 februari 2006 ongegrond verklaard en terecht geen aanleiding gezien om het college in dit beroep te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college te veroordelen in de kosten van het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2005. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college alsnog in die kosten veroordelen.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 juni 2007 in zaken nrs. 05/1074 en 06/432, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college te veroordelen in de kosten van het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2005;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Hoogeveen aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de gemeente Hoogeveen aan [appellanten] het griffierecht ten bedrage van € 352,00 (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.J. van Muijen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

97-512.