Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6381

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200708847/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een ligboxenstal op het perceel aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200708847/2.

Datum uitspraak: 6 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/772 van de rechtbank Leeuwarden van 5 november 2007 in het geding tussen:

[verzoekers]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een ligboxenstal op het perceel aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 5 februari 2007 heeft het college het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar, voor zover thans van belang, gegrond verklaard, de precieze aanduiding van de vrijgestelde uitbreiding beperkt tot het gebied waarop de bouwvergunning ziet en het besluit van 4 juli 2006 voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 5 november 2007, verzonden op 6 november 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2007, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2008, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 februari 2008, waar [verzoekers], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door B. Kroese, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door mr. P. Sipma, advocaat te Drachten, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Op grond van het ten tijde van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het op de plankaart op het perceel ingetekende bebouwingsvlak de bestemming "Agrarische doeleinden (agrarisch gebied met bebouwing)".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen de gronden, op de kaart bestemd voor agrarische doeleinden (agrarisch gebied met bebouwing), uitsluitend worden gebruikt voor agrarische bedrijven, de daarbij behorende takken van veredeling en de daarbij behorende gebouwen, al dan niet vrijstaande bedrijfsgebouwen, andere bouwwerken en andere werken, met dien verstande dat de gebouwen binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken moeten worden gebouwd.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het plan voor vergroting van het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak met de in de artikelen 4 en 37 omschreven bestemming tot 1 ha per bedrijf, indien de kaart een kleiner bebouwingsvlak aangeeft.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, aanhef en onder f, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het plan voor een eenmalige vergroting met 30% van het bebouwingsvlak met de in de artikelen 4, 5, 7, 37 en 38 omschreven bestemmingen, in gevallen dat reeds toepassing is gegeven aan het onder e bepaalde.

2.3. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met artikel 4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 56, eerste lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, en onder f, van de planvoorschriften vrijstelling verleend.

2.4. [verzoekers] betogen dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 56, eerste lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, en onder f, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen. Nu [vergunninghouder] een aanvang heeft gemaakt met de bouwwerkzaamheden, verzoeken zij om schorsing van de in bezwaar gehandhaafde bouwvergunning totdat de Afdeling in het bodemgeschil heeft beslist.

2.5. Blijkens de door het college ter zitting overgelegde berekening heeft het op de plankaart op het perceel ingetekende bebouwingsvlak een oppervlakte van 0,8 ha. Daarnaast blijkt uit deze berekening dat de reeds op het perceel aanwezige ligboxenstal en jongveestal voor een gedeelte van 1321 m² buiten het bebouwingsvlak zijn gebouwd. Ter zitting is gebleken dat het college bij besluit van 6 mei 1981 bouwvergunning heeft verleend voor de jongveestal en bij besluit van 15 juli 1997 bouwvergunning heeft verleend voor de ligboxenstal. Nu deze bouwwerken gedeeltelijk zijn gebouwd buiten het bebouwingsvlak, moet het college geacht worden daarvoor vrijstellingen te hebben verleend met toepassing van artikel 56, eerste lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, van de planvoorschriften.

Nu het bouwplan een oppervlakte heeft van 779 m² en geheel buiten het op de plankaart op het perceel ingetekende bebouwingsvlak is gesitueerd, zal als gevolg van het bouwplan volgens de berekening van het college een bebouwingsvlak ontstaan van 1,01 ha. De voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet bevoegd was om voor het bouwplan met toepassing van artikel 56, eerste lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, en onder f, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen. Dit artikel stelt, anders dan [verzoekers] betogen, niet de voorwaarde dat eerst vrijstelling kan worden verleend, indien het op de plankaart op het perceel ingetekende bebouwingsvlak volledig is bebouwd.

2.6. [verzoekers] betogen voorts dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, nu het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de ligboxenstal in westelijke richting, terwijl een uitbreiding in noordelijke richting naar hun mening een betere optie zou zijn.

Artikel 56, eerste lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, en onder f, van de planvoorschriften stelt geen voorwaarden aan de richting van vergroting van het bebouwingsvlak. Gelet op de brief van rundveedierenarts L.J. Westerlaan, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een uitbreiding van de ligboxenstal in westelijke richting uit oogpunt van dierenwelzijn de meest doelmatige optie is. Voorts heeft [vergunninghouder] voldoende aannemelijk gemaakt dat een uitbreiding in deze richting in bedrijfseconomisch opzicht de meest doelmatige optie is. Bovendien zal de door [verzoekers] voorgestelde uitbreiding in noordelijke richting ook leiden tot een overschrijding van het op de plankaart op het perceel ingetekende bebouwingsvlak.

Anders dan [verzoekers] betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat zij als gevolg van het bouwplan onevenredige stank- en geluidhinder zullen ondervinden. Ter zitting is gebleken dat [verzoekers] op een afstand van 70 en 95 m tot het bouwplan wonen. In de uitspraak van 19 april 2006 in zaak nr. 200601286/1 en 200601286/2 heeft de voorzitter het beroep van [verzoekers] tegen de voor het plan van [vergunninghouder] verleende vergunning op grond van de Wet milieubeheer ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare stankhinder vanwege het in de stal te plaatsen rundvee. Voorts is het niet aannemelijk dat vanwege de geluidhinder veroorzaakt door de transportbewegingen, het rundvee, het mixen van mest of anderszins niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en bouwvergunning niet mochten worden verleend.

2.7. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Derhalve dient het verzoek te worden afgewezen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Steinebach-de Wit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2008

328-531.