Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200706333/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2002 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie (hierna: de minister) de aan [appellante] toegekende huursubsidie over het jaar 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 voor het adres [locatie] te [plaats] gewijzigd van f 7.440,00 (€ 3.376,12) in f 0,00 en de over dit jaar uitbetaalde subsidie van € 3.376,12 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706333/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2360 van de rechtbank Maastricht van 23 juli 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2002 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie (hierna: de minister) de aan [appellante] toegekende huursubsidie over het jaar 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 voor het adres [locatie] te [plaats] gewijzigd van f 7.440,00 (€ 3.376,12) in f 0,00 en de over dit jaar uitbetaalde subsidie van € 3.376,12 teruggevorderd.

Bij besluit van 13 oktober 2006 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2007.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343) zijn onder meer de artikelen 4, 15, 26 en 36 van de Huursubsidiewet (hierna: Hsw) komen te vervallen en de artikelen 1 en 2 van de Hsw gewijzigd. De wijzigingswet is met ingang van 1 september 2005 van kracht en geldt voor subsidietijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu het subsidietijdvak waarop voormeld besluit ziet vóór 1 januari 2006 is aangevangen, zijn de oude bepalingen van toepassing.

2.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de Hsw wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder peiljaar verstaan: het kalenderjaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar.

Ingevolge hetzelfde artikel, aanhef en onder n wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder subsidiejaar verstaan: het tijdvak dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het daaropvolgende jaar.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder eenpersoonshuishouden verstaan: het huishouden van een huurder die, afgezien van een eventuele onderhuurder en de tot het huishouden van de onderhuurder behorende personen, als enige een woning bewoont, en die jonger dan 65 jaar was op 1 januari van het peiljaar.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder rekenvermogen verstaan: het gezamenlijk vermogen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, wordt geen huursubsidie toegekend als het rekenvermogen meer bedraagt dan € 18.378,10 bij een eenpersoonshuishouden, als de huurder op de laatste dag van het subsidiejaar jonger is dan 65 jaar.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, kan de minister ambtshalve of op verzoek van de huurder, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, bij de toepassing van de artikelen 2, 3, eerste lid, en 4, eerste lid, bepaalde medebewoners buiten beschouwing laten.

Ingevolge het tweede lid kan een daling van het inkomen ten opzichte van het peiljaar, of een daling van het vermogen na het peiljaar, niet leiden tot toepassing van het eerste lid.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, kan de minister de toekenning herzien, als huursubsidie is toegekend in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen.

Ingevolge het tweede lid, kan aan een besluit als bedoeld in het eerste lid terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf subsidietijdvakken, voorafgaande aan het lopende subsidietijdvak:

a. als de door de huurder of de medebewoners verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn geweest, dat een ander besluit zou zijn genomen indien de juiste of volledige gegevens bij de minister bekend zouden zijn geweest;

b. […] of

c. als de huurder redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge het derde lid kan de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd, of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder. De minister stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

2.3. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister de huursubsidie gewijzigd en teruggevorderd, omdat het rekenvermogen van [appellante] te hoog is om huursubsidie te kunnen krijgen.

2.4. [appellante] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de minister van de door de Belastingdienst vastgestelde omvang van het vermogen heeft kunnen uitgaan. Volgens haar moet rekening worden gehouden met het feit dat in het peiljaar en op het moment van de aanvraag haar echtgenoot nog leefde en daarmee werd voldaan aan alle voorwaarden om huursubsidie te krijgen. Voorts meent zij dat het overlijden van haar echtgenoot en het feit dat haar vermogen na 1 januari 2000 is gedaald tot toepassing van de hardheidsclausule van artikel 26, eerste lid, van de Hsw moet leiden. Tot slot betoogt [appellante] dat het in strijd is met het redelijkheidsbeginsel om artikel 36, tweede lid, van de Hsw toe te passen. Omdat haar echtgenoot ten tijde van de aanvraag nog leefde, kon zij niet weten dat zij niet in aanmerking zou komen voor huursubsidie, aldus [appellante].

2.5. Vast staat dat op 1 juli 2001, de peildatum van het subsidiejaar 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002, door [appellante] een eenpersoonshuishouden als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Hsw werd gevoerd. Voorts staat vast dat gedurende het gehele peiljaar 2000, in het bijzonder op 1 januari 2000, de echtgenoot van [appellante] nog leefde. [appellante] maakte destijds derhalve deel uit van een meerpersoonshuishouden.

Verder staat vast dat de Belastingdienst bij beschikking van 2 mei 2002 aan [appellante] heeft medegedeeld dat het vermogen voor de Huursubsidiewet per 1 januari 2000 is vastgesteld op f 45.504,00 (€ 20.649,00). Deze beschikking bevat geen nadere gegevens over deze vaststelling, zodat ervan mag worden uitgegaan dat deze betrekking heeft op de per genoemde datum feitelijk bestaande situatie, zijnde die van een meerpersoonshuishouden.

2.6. In deze situatie kon de minister er niet zonder meer van uitgaan dat het door de Belastingdienst vastgestelde vermogen geheel aan [appellante] kon worden toegerekend. Op 1 januari 2000 behoorde het vermogen immers toe aan haar en haar echtgenoot. Nu [appellante] in het subsidiejaar, als gevolg van het overlijden van haar echtgenoot, een eenpersoonshuishouden voerde, had de minister moeten nagaan welk deel van het door de Belastingdienst vastgestelde vermogen, met inachtneming van de destijds geldende wet- en regelgeving, aan haar kon worden toegerekend en of dit deel van het vermogen onder of boven de grens voor een eenpersoonshuishouden lag. Nu de minister dit niet heeft gedaan, berust het besluit van 13 oktober 2006 niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.7. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2006 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De minister dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar te nemen.

2.8. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 juli 2007 in zaak nr. 06/2360;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 oktober 2006 met kenmerk Boba Verm_28z/AWB/218;

V. veroordeelt de minister voor Wonen, Wijken en Integratie tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 984,79 (zegge: negenhonderdvierentachtig euro en negenenzeventig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het beroep en € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het hoger beroep; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

350.