Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6378

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200706126/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) het verzoek van [appellant] om in het bezit gesteld te worden van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 18 juni 2004 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706126/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2423 van de rechtbank Maastricht van 17 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) het verzoek van [appellant] om in het bezit gesteld te worden van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 18 juni 2004 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2007.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 oktober 2007 heeft [appellant] de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. P.C.T.M. van Eeuwijk, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2. Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft de minister zijn weigering gehandhaafd om een aantal passages openbaar te maken uit een memorandum van 5 maart 2004 en een memorandum van 27 mei 2004 met als bijlage een onderzoeksverslag, welke stukken ten grondslag hebben gelegen aan het individuele ambtsbericht dat is opgemaakt in het kader van een asielaanvraag van [appellant]. De minister heeft zich daarbij wat betreft de beide memoranda beroepen op het belang van bronbescherming en wat betreft de bijlage van het memorandum van 27 mei 2004 op het belang van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken en van het kennisniveau waarvan bij het onderzoek wordt uitgegaan en het belang gediend met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een derde.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister geen individueel ambtsbericht had mogen opmaken, omdat hij voor de inhoud daarvan niet kon instaan, gelet op de ook in de algemene ambtsberichten geschetste verregaande corruptie in Afghanistan, de onmogelijkheid om documenten te verifiëren en de betrokkenheid bij dit geval van een van de machtigste mannen van het land. Subsidiair stelt [appellant] zich op het standpunt dat de minister om deze redenen had moeten afzien van het gebruik van de verkregen informatie. Dat de verkregen informatie onjuist is gebleken, volgt, aldus [appellant], ook uit het feit dat de minister van Justitie van de door [appellant] opgegeven identiteit is uitgegaan, ondanks de op dat punt in het ambtsbericht opgeworpen vragen. [appellant] voert voorts aan dat de rechtbank heeft miskend dat van een individuele, op zijn geval toegespitste motivering, met name op het punt van de gevaarzetting voor de gesprekspartners van de onderzoekers, geen sprake is geweest.

2.4. Dit betoog faalt. In deze procedure staat slechts ter beoordeling of de minister heeft mogen weigeren een aantal passages uit de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht openbaar te maken. De inhoud en wijze van totstandkoming van het ambtsbericht worden bij die beoordeling niet betrokken. De door [appellant] gestelde vragen op die punten, zoals de door hem geuite twijfel over de betrouwbaarheid van de informatie, mede in het licht van de door de minister van Justitie gemaakte keuzes wat betreft zijn identiteit, dienen in de asielprocedure aan de orde te worden gesteld.

Het betoog van [appellant] biedt voorts geen aanknopingspunten om te oordelen dat de rechtbank ten onrechte de motivering van de weigering de passages openbaar te maken voldoende heeft geacht. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet aan [appellant] verstrekte tekstpassages, stelt de Afdeling vast dat de belangen waarop de minister zich heeft beroepen, bij de informatie in deze passages aan de orde zijn. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 oktober 2004 in zaak nr. 200400880/1) volgt dat de minister bij stukken die aan een individueel ambtsbericht als hier aan de orde ten grondslag hebben gelegen in het algemeen die belangen zwaarder mag laten wegen dan het openbaarheidsbelang. Voor een verdergaande motivering is geen plaats, zonder informatie prijs te geven die de minister heeft mogen weigeren openbaar te maken.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Haverkamp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

306-497.