Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC6372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
200704124/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2005 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) een besluit van 16 december 2002, waarbij aan [wederpartij] subsidie ter hoogte van maximaal € 59.400,00 is verleend, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704124/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 mei 2007 in zaak nr. 05/1674 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2005 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) een besluit van 16 december 2002, waarbij aan [wederpartij] subsidie ter hoogte van maximaal € 59.400,00 is verleend, ingetrokken.

Bij besluit van 4 november 2005 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 mei 2007, verzonden op 7 mei 2007, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2007, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2008, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. D.G.I. Joosten en drs. C. van Rosendal, beiden werkzaam bij het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (hierna: het SNN), en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. G.H. Sjobbema, advocaat te Roden, vergezeld door haar [directeur], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Noordelijke Innovatie Ondersteuningsfaciliteit 2000 (hierna: NIOF 2000) kan subsidie worden verleend aan de ondernemer wiens onderneming volgens het handelsregister is gevestigd of een nevenvestiging heeft in de provincie Fryslân, in de provincie Groningen of in de provincie Drenthe, ten behoeve van ondernemingsactiviteiten die in genoemde provincies door genoemde (neven-)vestiging worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 11 vermeldt het besluit tot subsidieverlening de hoogte van de subsidiabele kosten en het maximale subsidiebedrag.

Ingevolge artikel 13, aanhef en onder c, kan, zolang de subsidie niet overeenkomstig artikel 18 onherroepelijk is vastgesteld, het verleningsbesluit worden ingetrokken of ten nadele van de subsidie-ontvanger worden gewijzigd, indien de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag zou hebben geleid.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, wordt het subsidiebedrag vastgesteld op basis van de ten behoeve van het project gemaakte en betaalde kosten.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, is het vastgestelde subsidiebedrag niet hoger dan het maximale subsidiebedrag als bedoeld in artikel 11.

2.2. Bij het besluit van 16 december 2002 heeft het dagelijks bestuur aan [wederpartij] krachtens de NIOF 2000 subsidie voor twee jaar verleend voor een project, bestaande uit het aantrekken van een exportmedewerker die de Duitse markt zal onderzoeken voor het inzetten en matchen van Nederlandse ingenieurs.

Het dagelijks bestuur heeft aan het bij het besluit van 4 november 2005 gehandhaafde besluit van 13 juli 2005 ten grondslag gelegd dat, samengevat weergegeven, [wederpartij] volgens onderzoek van het team Interne Controle en Accountancy van de provincie Fryslân in strijd met artikel 3, eerste lid, van de NIOF 2000 heeft gehandeld, omdat de exportmedewerker zich bij klanten als werknemer van GamP Holding GmbH (hierna: GamP), een Duitse dochteronderneming van [wederpartij], heeft gepresenteerd en geen werkzaamheden voor de vestiging van de onderneming in Noord-Nederland heeft verricht. Bovendien is volgens het dagelijks bestuur aan de doelstelling van die regeling niet voldaan, nu het project alleen betrekking heeft gehad op stimulering van de Duitse markt. Indien bij de aanvraag duidelijk te kennen zou zijn gegeven dat de exportmedewerker zijn werkzaamheden vanuit GamP zou verrichten, zou geen subsidie voor het project zijn verleend, aldus het dagelijks bestuur.

2.3. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het uit de aanvraag kon begrijpen dat de activiteiten bij GamP in Duitsland zouden worden uitgevoerd, heeft miskend dat dit niet door [wederpartij] bij de aanvraag is vermeld.

2.3.1. Dat betoog slaagt. [wederpartij] heeft ter zitting verklaard dat GamP niet alleen juridisch maar ook feitelijk met een aldaar gehuurde kantoorruimte in Duitsland is gevestigd. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de exportmedewerker zijn werkzaamheden in of vanuit de vestiging van GamP in Duitsland en niet in of vanuit de vestiging van [wederpartij] in Den Andel heeft verricht.

[wederpartij] heeft op het aanvraagformulier de vraag of het project uitsluitend ten behoeve van de vestiging van de onderneming in de provincie Groningen, Fryslân of Drenthe wordt uitgevoerd, bevestigend beantwoord. In de aanvraag, noch in de daarbij overgelegde projectbeschrijving, is vermeld dat de exportmedewerker zijn werkzaamheden vanuit GamP in Duitsland zou verrichten. [wederpartij] had deze omstandigheden, waarvan zij redelijkerwijze moest vermoeden dat deze van wezenlijk belang waren voor het beoordelen van de aanvraag, daarbij dienen te vermelden. De door haar verstrekte gegevens zijn in zoverre dan ook onvolledig.

Het dagelijks bestuur heeft zich, gelet op artikel 3, eerste lid, van de NIOF 2000, terecht op het standpunt gesteld dat de subsidieverlening niet zou hebben plaatsgevonden indien [wederpartij] de voormelde omstandigheden bij de aanvraag had vermeld. Het dagelijks bestuur heeft het besluit van 16 december 2002 dan ook krachtens artikel 13, eerste lid, onder c, kunnen intrekken.

Het hoger beroep is gegrond.

2.4. Gelet hierop, zal de Afdeling de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, voor zover de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.5. [wederpartij] betoogt dat de door het dagelijks bestuur ingeschakelde accountant niet onpartijdig was, omdat die accountant betrokken is geweest bij de oprichting van het SNN.

2.5.1. Dat betoog faalt. Ter zitting heeft [wederpartij] verklaard dat dit betoog los staat van de bevindingen van de accountant van het dagelijks bestuur van het SNN. Van de zijde van het dagelijks bestuur is ter zitting verklaard dat die accountant registeraccountant is en zijn werkzaamheden overeenkomstig de normen van zijn beroepsgroep heeft verricht. Nu [wederpartij] dit niet heeft weersproken, moet daarvan worden uitgegaan.

2.6. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 4 november 2005 alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 mei 2007 in zaak nr. 05/1674;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008

85-507.