Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5894

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
200800318/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / lichter middel / bewaring niet aanstonds bij het ontstaan van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opgelegd / geen verplichting tot nadere motivering

In grief 1 klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, nu de vreemdeling eerst vijf maanden na het ontstaan van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf is staande gehouden, met de enkele verklaring dat destijds sprake was van een capaciteitsgebrek en dat immer sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, in onvoldoende mate heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris, gelet op de gronden van de bewaring en het feit dat de vreemdeling reeds vele jaren in Nederland verblijft zonder te trachten zijn verblijf hier te lande te legaliseren, reeds voldoende heeft gemotiveerd dat zich geen feiten en omstandigheden voordeden, als bedoeld in voormelde uitspraak van de Afdeling, zodat naar zijn oordeel geen aanleiding bestond tot het opleggen van een lichter middel. Uit de omstandigheid dat de bewaring niet aanstonds bij het ontstaan van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf is opgelegd, kan niet een verplichting tot nadere motivering ter zake worden afgeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800318/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/47469 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 7 januari 2008 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 januari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 januari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een vreemdeling met het oog op de uitzetting in bewaring worden gesteld indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert.

Volgens paragraaf A5/5.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan er grond zijn om de bewaring niet of niet langer toe te passen, indien met een lichter middel kan worden volstaan.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 augustus 2005 in zaak nr. 200505443/1; JV 2005/396), is het aan de minister (thans: de staatssecretaris) om te beoordelen of zich feiten of omstandigheden voordoen die aanleiding geven het met de vrijheidsontnemende maatregel te dienen belang met gebruikmaking van een minder belastende maatregel te waarborgen. Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat voor de rechtbank ter beoordeling of toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.3. In grief 1 klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, nu de vreemdeling eerst vijf maanden na het ontstaan van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf is staande gehouden, met de enkele verklaring dat destijds sprake was van een capaciteitsgebrek en dat immer sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, in onvoldoende mate heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan.

2.3.1. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris, gelet op de gronden van de bewaring en het feit dat de vreemdeling reeds vele jaren in Nederland verblijft zonder te trachten zijn verblijf hier te lande te legaliseren, reeds voldoende heeft gemotiveerd dat zich geen feiten en omstandigheden voordeden, als bedoeld in voormelde uitspraak van de Afdeling, zodat naar zijn oordeel geen aanleiding bestond tot het opleggen van een lichter middel. Uit de omstandigheid dat de bewaring niet aanstonds bij het ontstaan van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf is opgelegd, kan niet een verplichting tot nadere motivering ter zake worden afgeleid.

Grief 1 slaagt in zoverre.

2.4. Hetgeen in grief 1 voor het overige en in grief 2 is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 12 december 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

2.6. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel dan bewaring. Ter onderbouwing heeft hij de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, namelijk dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats, geen middelen van bestaan heeft en niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), bestreden.

2.6.1. De vreemdeling staat niet ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens. Ook anderszins heeft hij niet aangetoond dat hij over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt. Dat de staatssecretaris hem na vijf maanden opnieuw op hetzelfde adres heeft bezocht en hem aldaar heeft aangetroffen, is daartoe onvoldoende.

Dat het feit dat de vreemdeling ten tijde van zijn staandehouding geen geld bij zich had, volgens hem niet betekent dat aan de maatregel van bewaring ten grondslag kon worden gelegd dat hij over onvoldoende middelen van bestaan beschikt en de staatssecretaris hiernaar in onvoldoende mate onderzoek heeft gedaan, kan, nu de vreemdeling op geen enkele wijze heeft aangetoond zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien, evenmin worden gevolgd.

Ten slotte kan in de stelling dat de staatssecretaris niet heeft onderzocht of zijn paspoort zich bij de Indiase autoriteiten in Duitsland bevindt, geen grond worden gevonden voor het oordeel dat ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd dat hij niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000. Ten tijde van zijn staandehouding heeft de vreemdeling immers niet een dergelijk document overgelegd.

2.6.2. Nu voor het opleggen van de maatregel van bewaring gronden aanwezig waren, de vreemdeling criminele antecedenten heeft en reeds vele jaren in Nederland verblijft zonder te trachten zijn verblijf hier te lande te legaliseren, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan. De staatssecretaris heeft het risico dat de vreemdeling zich aan de uitzetting zou onttrekken, zodra deze daadwerkelijk in zicht zou komen, niet hoeven aanvaarden.

Derhalve faalt de beroepsgrond.

2.7. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 december 2007 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 7 januari 2008 in zaak nr. 07/47469;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Gemert

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2008

343-549.

Verzonden: 25 februari 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak