Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5808

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200703600/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) [wederpartij] een boete van € 4.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200703600/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/41 en 07/1044 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 april 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de minister van Sociale Zaken en werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) [wederpartij] een boete van € 4.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 26 februari 2007 heeft de staatssecretaris het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 april 2007, verzonden op 24 april 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de opgelegde boete wordt gematigd tot € 2.000. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

[wederpartij] is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. L. Dokman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt dat de voorzieningenrechter in strijd met artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak heeft gedaan op het tegen het besluit van 26 februari 2006 ingestelde beroep, nu ten tijde van het onderzoek ter zitting de gronden van dat beroep nog niet waren ingediend en niet vaststond dat nader onderzoek redelijkerwijs achterwege kon blijven.

2.1.1. Gelet op de eisen die artikel 8:86 van de Awb hieromtrent stelt, kan niet worden geoordeeld dat de voorzieningenrechter een onjuist gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen op het beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 april 2000 in zaak nr. 199901023/1; JB 2000/140) stelt deze bepaling niet de eis dat moet worden gewacht totdat de gronden van het beroep zijn ingediend. Voorts heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 19 januari 2005 in zaak nr. 200402860/1) dat van partijen, die, zoals in dit geval overeenkomstig die bepaling, in de uitnodiging voor de zitting uitdrukkelijk op deze bevoegdheid zijn gewezen, wordt verwacht dat zij zich hebben voorbereid op eventuele afdoening van de hoofdzaak. In hetgeen in het hoger-beroepschrift is aangevoerd bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting geen uitspraak heeft kunnen doen op het beroep.

Het betoog faalt.

2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b en onder 1˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

2.3. De minister betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte de boete heeft gematigd omdat niet is gebleken dat de vreemdeling structureel werkzaamheden voor [wederpartij] heeft verricht. Of sprake is van structurele werkzaamheden doet volgens de minister niet ter zake en laat de geconstateerde overtreding onverlet.

2.4. In de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2007 in zaak nr. 200700456/1 is overwogen dat in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging wordt afgezien. Daartoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij de maximale van hem te vergen zorg heeft betracht ter voorkoming van de overtreding.

Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat de omstandigheid dat naast de geconstateerde handelingen niet is gebleken dat de aangetroffen vreemdeling voor het overige werkzaamheden voor [wederpartij] heeft verricht, aanleiding geeft de boete te matigen, nu deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende grond voor matiging biedt, voorts niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de geconstateerde overtreding [wederpartij] niet ten volle kan worden verweten en evenmin zijdens [wederpartij] is gesteld en aannemelijk gemaakt dat hij zich heeft ingespannen om de geconstateerde overtreding te voorkomen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 24 november 2006 alsnog ongegrond verklaren. Daartoe wordt overwogen dat de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden zijn verworpen in uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen, tegen de aldus gegeven oordelen in hoger beroep niet is opgekomen en deze losstaan van hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 april 2007 in zaak nr. 07/1044;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008

382-532.